Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4911

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
15/2534 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vertrouwensbeginsel. Aan mededeling tijdens de startersbijeenkomst niet vertrouwen kunnen hebben ontleend dat appellant toestemming zou krijgen voor startersregeling. Geen ondubbelzinnige ongeclausuleerde toezegging gedaan. Ook geen toestemming gekregen voor startersregeling. Geen sprake van gedragsbepalende toezegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2534 WW

Datum uitspraak: 14 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 februari 2015, 14/3320 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na beƫindiging van zijn dienstverband met een vorige werkgever per 1 januari 2014 heeft appellant op 16 januari 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft appellant zijn wens kenbaar gemaakt om direct te beginnen met een eigen bedrijf. Bij besluit van 21 januari 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellant tot en met 30 april 2014 geen WW-uitkering kan krijgen, omdat hij zijn dienstverband heeft beƫindigd voor de geldende opzegtermijn. Tegen dit besluit heeft appellant geen bewaar gemaakt.

1.2.

Op 16 januari 2014 heeft appellant een startersbijeenkomst van het Uwv bijgewoond en gesproken met [naam 1] over de mogelijkheden om te starten als zelfstandige. Vervolgens heeft appellant op 28 januari 2014 een gesprek gehad met de [naam 2] van het Werkbedrijf Uwv.

1.3.

Bij besluit van 29 januari 2014 heeft het Uwv geweigerd om appellant toestemming te geven om gebruik te maken van de startersregeling, omdat appellant om toestemming te kunnen krijgen een WW-uitkering dient te ontvangen en dat dit niet het geval is.

1.4.

Op 3 februari 2014 is appellant gestart met zijn werkzaamheden als zelfstandige.

1.5.

Bij besluit van 7 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 29 januari 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat er geen sprake is van een ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging. De rechtbank heeft vastgesteld dat [naam 1] in een e-mail van 19 maart 2014 heeft ontkend toezeggingen te hebben gedaan over het verlenen van toestemming voor de startersregeling. Appellant heeft zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet aannemelijk gemaakt en dat komt voor zijn rekening en risico. Bovendien is appellant pas op 3 februari 2014 begonnen met zijn werkzaamheden, op welk moment het Uwv met zijn besluit van 29 januari 2014 al kenbaar had gemaakt geen toestemming te verlenen voor de startersregeling. Van een gerechtvaardigd vertrouwen was op dat moment in ieder geval geen sprake meer.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Volgens appellant heeft Raassen hem tijdens de startersbijeenkomst op 16 januari 2014 gezegd dat hij in aanmerking kon komen voor de startersregeling, maar dat hij dan eerst nog naar het Uwv in Arnhem moest gaan om zijn bedrijfsplan te laten toetsen. Appellant heeft de Raad verzocht om [naam 1] hierover als getuige te horen. De persoon naar wie [naam 1] hem had verwezen, kon hij niet aan de telefoon krijgen. In plaats daarvan heeft hij op 28 januari 2014 gesproken met Bosman, maar [naam 2] vond het overbruggen van een periode van drie maanden zonder een

WW-uitkering teveel en wilde geen toestemming geven. Naar het bedrijfsplan heeft hij niet eens gekeken, aldus appellant.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 77a, eerste lid, onder c, van de WW kan het Uwv een werknemer toestemming verlenen om gedurende 26 kalenderweken werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten, indien de werknemer een WW-uitkering heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant tot en met 30 april 2014 geen aanspraak had op een WW-uitkering en voor die tijd niet aan genoemd vereiste voldeed.

4.2.

Aan de orde is alleen de vraag of appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt en in het verlengde daarvan of de rechtbank dit beroep terecht heeft verworpen.

4.3.

Aan hetgeen [naam 1] volgens appellant tijdens de startersbijeenkomst tegen hem heeft gezegd, kan appellant niet het vertrouwen hebben ontleend dat hij toestemming zou krijgen voor de startersregeling. Volgens zijn eigen zeggen, zoals hij ook op de zitting van de Raad heeft bevestigd, heeft [naam 1] hem tijdens die bijeenkomst geen ondubbelzinnige ongeclausuleerde toezegging gedaan dat hij toestemming voor de startersregeling zou krijgen. Appellant zou immers eerst nog moeten laten beoordelen of zij bedrijf levensvatbaar was. Het horen van [naam 1] als getuige kan dan ook niet bijdragen aan het bewijs dat appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Het verzoek van appellant om [naam 1] als getuige te horen, wordt daarom afgewezen.

4.4.

Verder staat vast dat appellant van [naam 2] geen toestemming heeft gekregen voor de startersregeling. Ook aan dit gesprek heeft appellant dus niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat hij deze toestemming zou krijgen. Dat aan de weigering om toestemming te verlenen een andere reden ten grondslag ligt dan de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant, doet hieraan niet af. Dat appellant geen toestemming zou krijgen voor de startersregeling is hem bovendien bij besluit van 29 januari 2014 meegedeeld, terwijl appellant pas op 3 februari 2014 is begonnen met zijn werkzaamheden als zelfstandige. Van een gedragsbepalende toezegging dat aan appellant toestemming zou worden verleend is daarom geen sprake.

4.5.

Uit hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.R. Rottier en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) R.I. Troelstra

IvR