Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
15/3850 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering van de werknemer wegens het bereiken van de maximale uitkeringstermijn van 104 weken. Geen zorgvuldig onderzoek. Geen deugdelijke motivering. In artikel 30b, eerste lid, van de ZW is geregeld dat de intrekking of verlaging van een ZW-uitkering, die voortvloeit uit een door een werkgever ingesteld bezwaar of beroep, niet eerder plaatsvindt dan met ingang van de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekend gemaakt of de uitspraak is gedaan. Gelet op deze bepaling kan nadere besluitvorming van het Uwv niet ertoe leiden dat de ZW-uitkering van werknemer eerder eindigt dan 14 april 2014. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3850 ZW

Datum uitspraak: 14 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland

van 9 april 2015, 14/5549 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P. den Hertog, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.A.Th.P. Hendriks, bijgestaan door mr. Den Hertog. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het kader van de op 1 januari 2013 ingevoerde Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (Wet Bezava) heeft het Uwv appellante bij brief van

17 januari 2014 geïnformeerd over uitkeringen ingevolge de Ziektewet (ZW) die in 2013 zijn toegekend aan zogenoemde flexwerkers die bij appellante in dienst waren en welke uitkeringen van invloed zijn op door appellante te betalen ZW-premie. Bij brief van 24 maart 2014 heeft het Uwv kopieën van de door hem genomen beslissingen op grond van de ZW aan appellante gezonden.

1.2.

Bij brief van 10 april 2014 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen een besluit van

14 juni 2012 waarbij het Uwv met ingang van 1 juni 2012 een ZW-uitkering aan een voormalige werknemer van appellante, [werknemer] (werknemer), heeft toegekend. Bij brief van 24 april 2014 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 maart 2014 waarbij het Uwv met ingang van 14 april 2014 het recht op de ZW-uitkering van de werknemer heeft beëindigd wegens het bereiken van de maximale uitkeringstermijn van 104 weken.

1.3.

Bij besluit van 29 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 juni 2012 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2014 ongegrond. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juli 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het beroep van appellante tegen het bestreden besluit alleen het besluit van 20 maart 2014 betreft en dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het toetsingskader voor het beëindigingsbesluit van 20 maart 2014 is beperkt tot de vraag of de ZW-uitkering terecht beëindigd is wegens het bereiken van de maximale uitkeringstermijn. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Zij heeft gewezen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juli 2014 waarin deze heeft verklaard dat sprake is van een aaneengesloten periode van arbeidsongeschiktheid van 104 weken en dat vaststaat dat de

ZW-uitkering ook gedurende die 104 weken is toegekend. Volgens de rechtbank lag het op de weg van appellante om in geval van twijfel aan de arbeidsongeschiktheid van werknemer bij het Uwv een besluit over voortzetting van de ZW-uitkering uit te lokken. Het Uwv zou dan gedwongen zijn om een dergelijk onderzoek in te stellen naar de (voortdurende) arbeidsongeschiktheid.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat het Uwv zich onvoldoende gekweten heeft van zijn wettelijke taak om controle uit te oefenen op het bestaan van arbeidsongeschiktheid van werknemer en het vastleggen van de bevindingen van die controle. Appellante heeft daarbij gewezen op artikel 39, eerste lid, van de ZW. Volgens appellante kon en mocht het Uwv bij het ontbreken van die controle niet tot de conclusie komen dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer een aaneengesloten periode van 104 weken heeft geduurd.

4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Niet ter discussie staat dat appellante terecht als belanghebbende is aangemerkt (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:467 en ECLI:NL:CRVB:2016:468).

5.2.

In geschillen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidswetten heeft de Raad herhaaldelijk geoordeeld dat in het geval dat een belanghebbende werkgever de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het Uwv het besluit ten aanzien van die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:4292). Zoals eerder is geoordeeld (zie ECLI:NL:CRVB:2016:1415) is er geen aanleiding een

ZW-geschil als hier aan de orde anders te beoordelen.

5.3.

Het standpunt van appellante zoals in hoger beroep ingenomen, wordt gevolgd. Daartoe wordt overwogen dat werknemer in de periode van 104 weken, te weten van 16 april 2012 tot 13 april 2014, slechts tweemaal op een spreekuur van een verzekeringsarts is geweest, namelijk op 10 oktober 2013 en 24 januari 2014. Deze tweede beoordeling heeft overigens niet plaatsgevonden in het kader van de ZW, maar in het kader van een beoordeling in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. De stelling van het Uwv dat op

6 november 2012 telefonisch contact is geweest tussen werknemer en de verzekeringsarts van het Uwv, overtuigt niet. Uit het telefoonrapport blijkt namelijk niet dat de aantekeningen door de verzekeringsarts zijn geschreven.

5.4.

Het rapport van 10 oktober 2013 bevat geen oordeel over de arbeidsongeschiktheid van werknemer. Blijkens dat rapport heeft de verzekeringsarts het noodzakelijk geacht om nadere informatie op te vragen van de behandelend cardioloog en longarts van werknemer. De verzekeringsarts heeft vermeld dat die informatie noodzakelijk was om tot een goede medische beoordeling te kunnen komen. De hier bedoelde informatie is op 1 en 8 november 2013 door de medische dienst van het Uwv ontvangen. Uit de stukken blijkt niet dat deze informatie door de verzekeringsarts is gezien en dat het tot een nadere afgeronde medische beoordeling over de arbeidsongeschiktheid heeft geleid. Zonder zodanige medische beoordeling kan uit de ontvangen informatie het bestaan van arbeidsongeschiktheid niet worden afgeleid. De longarts heeft in een brief van 7 juni 2013 vermeld dat de werknemer een zeer fraaie verbetering van de apneu-hypopneu-index laat zien en dat hij zich duidelijk fitter voelt. In de brief van de cardioloog van 30 oktober 2013 is de conclusie getrokken dat sprake is van een stabiele situatie, dat de hartklachten niet de grootste beperkende factor vormen maar dat dit meer de longklachten zijn. In het licht van deze informatie kan niet worden uitgesloten dat het Uwv de periode van arbeidsongeschiktheid van de werknemer ten onrechte 104 weken aaneengesloten heeft geacht.

5.5.

Gelet op de in 5.2 genoemde motiveringsplicht en gelet op wat in 5.3 en 5.4 is overwogen, wordt geoordeeld dat de verwijzing door het Uwv naar de rapporten van de verzekeringsarts van 10 oktober 2013 en 24 januari 2014 als grond voor het bestreden besluit niet volstaat. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op zorgvuldig onderzoek berust als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb ontbreekt.

6.1.

Uit wat in 5.2 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.

6.2.

In artikel 30b, eerste lid, van de ZW is geregeld dat de intrekking of verlaging van een ZW-uitkering, die voortvloeit uit een door een werkgever ingesteld bezwaar of beroep, niet eerder plaatsvindt dan met ingang van de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekend gemaakt of de uitspraak is gedaan. Gelet op deze bepaling kan nadere besluitvorming van het Uwv niet ertoe leiden dat de ZW-uitkering van werknemer eerder eindigt dan 14 april 2014. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

7. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op een bedrag van € 992,- wegens in beroep verleende rechtsbijstand en op een bedrag van € 992,- wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op het besluit van 20 maart 2014;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.984,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 825,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM