Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
15-8380 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:8541, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:8539, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging boete. Verwijtbaarheid. In het kader van intrekking slechts relevant of gegevens verstrekt hadden moeten worden en dit is nagelaten. Gewezen op inlichtingenverplichting en reikwijdte daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8380 WWB, 16/1484 WWB

Datum uitspraak: 20 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2015, 14/8580 (aangevallen uitspraak 1), en van 25 februari 2016, 14/8661 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A. de Raad, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Raad. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.J. van Zwieten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 december 2011 tot 9 november 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van bankafschriften die het bestuur van appellant had ontvangen in het kader van een heronderzoek en waarop zichtbaar was dat appellant diverse bedragen had ontvangen van [naam O] (O), heeft de Afdeling Handhaving van de sociale dienst Drechtsteden een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn onder meer bankafschriften over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2013 (periode in geding) bij appellant opgevraagd. Uit de ontvangen bankafschriften is naar voren gekomen dat in die periode O, [naam L] (L) en [naam I] (I) tientallen bedragen, variërend van € 10,- tot € 610,-, naar de bankrekening van appellant hebben overgeboekt en voorts diverse bedragen, variërend van € 95,- tot € 700,-, per kas op die bankrekening zijn gestort. Appellant heeft twee verklaringen afgelegd over de bijschrijvingen op zijn bankrekening, op 11 juli 2014 schriftelijk en op 28 juli 2014 mondeling. Deze verklaringen komen erop neer dat appellant af en toe geld leende van O en I en boodschappen deed voor L, waarvoor L geld overmaakte naar de bankrekening van appellant. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 7 november 2013 en 11 augustus 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het bestuur aanleiding geweest om bij besluit van

8 september 2014 (besluit 1) de bijstand van appellant over de periode in geding deels te herzien en deels in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 6.229,43 van appellant terug te vorderen. Het bestuur heeft bij besluit van

25 november 2014 (bestreden besluit 1) het tegen besluit 1 gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de hoogte van het teruggevorderde bedrag betreft, dit bedrag vastgesteld op € 6.086,93 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het bestuur het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft inkomsten ontvangen in de vorm van geleende en gestorte bedragen, waarvan hij geen melding heeft gemaakt bij het bestuur. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting heeft appellant een te hoog bedrag aan bijstand ontvangen. Ook geldleningen worden tot de middelen gerekend indien een persoon vrijelijk over de geleende bedragen kan beschikken. Appellant was niet beperkt in de beschikkingsmacht over de geleende bedragen. Dat hij het geld gebruikte om zijn gokverslaving te bevredigen, doet daar niet aan af. De geleende bedragen moeten dan ook ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB tot de middelen van appellant worden gerekend en in mindering worden gebracht op de bijstand.

1.4.

Bij besluit van 25 september 2014 (besluit 2) heeft het bestuur aan appellant een boete van € 6.230,- opgelegd op de grond dat appellant de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het bestuur te melden dat hij inkomsten heeft ontvangen. Het bestuur heeft bij besluit van 25 november 2014 het tegen besluit 2 gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft, de boete vastgesteld op € 6.086,93 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1.

Bij tussenuitspraak van 25 november 2015 heeft de rechtbank geconstateerd dat aan het (boete)besluit van 25 november 2014 een gebrek kleeft, omdat het bestuur ter zitting had verklaard dat een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag passend zou zijn. De rechtbank heeft het bestuur in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.

3.2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het bestuur bij besluit van 30 december 2015, onder intrekking van het (boete)besluit van 25 november 2014, het bezwaar tegen besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 3.043,46.

3.3.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, heeft het bestuur bij besluit van 26 januari 2016 (bestreden

besluit 2), onder intrekking van zijn besluit van 30 december 2015, de boete nader vastgesteld op € 1.167,24. Het bestuur heeft aan bestreden besluit 2 het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door niet uit zichzelf en onmiddellijk te melden dat hij over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 oktober 2013 op zijn bankrekening geldsommen van kennissen ontving en ook contant ontvangen bedragen zelf stortte. Appellant wist of had moeten beseffen dat deze informatie van belang was voor het recht op bijstand. Het is appellant dan ook te verwijten dat hij niet of niet tijdig melding heeft gemaakt van deze inkomsten. Van opzet of grove schuld is geen sprake. De gokverslaving van appellant en de daaruit voortvloeiende geldproblemen kunnen niet worden gezien als een zodanige geestelijke toestand dat de overtreding appellant niet volledig valt aan te rekenen. Dat volgens appellant de ontvangsten op zijn bankrekening moeten worden gezien als geldleningen, leidt er niet toe dat hij zijn inlichtingenverplichting in voldoende mate is nagekomen. Het had op zijn weg gelegen bij het bestuur te informeren op welke wijze dergelijke ontvangsten moeten worden gemeld. In dit geval moet een boete worden opgelegd van 50% van het benadelingsbedrag. Gelet op de draagkracht van appellant moet de boete worden vastgesteld op het hiervoor genoemde bedrag.

3.4.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2 voor zover de rechtbank de boete van € 1.167,24 in stand heeft gelaten. Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat de door hem van O, L en I ontvangen bedragen leningen betreffen en hij deze leningen heeft terugbetaald. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellant onder meer een transactieoverzicht overgelegd van de bedragen die hij bij wijze van terugbetaling heeft overgemaakt naar O, de grootste schuldeiser. Hiermee is volgens appellant aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk sprake is van geleende bedragen, die door hem zijn terugbetaald. Ter zitting heeft appellant hieraan toegevoegd dat hij niet wist dat hij de leningen moest melden, hij wist alleen maar dat hij melding moest maken van werkzaamheden en inkomsten daaruit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening, intrekking en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)

5.1.

Vaststaat dat in de periode in geding op de bankrekening van appellant een groot aantal bedragen van O, L en I zijn bijgeschreven en diverse bedragen per kas zijn gestort.

5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden aan bijstandontvangers

- ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.

5.3.

Aan appellant had redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de bijschrijvingen en de kasstortingen van belang konden zijn voor het recht op bijstand. Hij heeft de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door hiervan geen melding te maken bij het bestuur.

5.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niet wist dat hij melding had moeten maken van de van O, L en I geleende bedragen. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat hem niet te verwijten valt dat hij geen melding heeft gemaakt van de bijschrijvingen en kasstortingen en dat om die reden herziening en intrekking achterwege had moeten blijven, treft dit betoog geen doel. Immers, artikel 17, eerste lid, van de WWB is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij in het kader van de intrekking niet relevant is of appellant te verwijten valt dat hij informatie niet heeft verstrekt. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellant de hier aan de orde zijnde gegevens had moeten verstrekken en dit heeft nagelaten. Dit laatste is, zoals hiervoor vastgesteld, het geval.

5.5.

Omdat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of te veel bijstand is verleend, was het bestuur op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de WWB gehouden om de bijstand te herzien dan wel in te trekken over de maanden waarin de geldbedragen zijn ontvangen. Op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB was het bestuur voorts gehouden de ten onrechte of te veel verleende bijstand van appellant terug te vorderen.

5.6.

Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Boete (aangevallen uitspraak 2)

5.7.

Voor zover appellant met zijn stelling dat hij niet wist dat hij melding had moeten maken van de van O, L en I geleende bedragen, heeft willen betogen dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van de schending van de inlichtingenverplichting en dat om die reden van het opleggen van een boete had moeten worden afgezien, slaagt dit betoog niet. De vertegenwoordiger van het bestuur heeft ter zitting verklaard dat alle bijstandontvangers, appellant daaronder begrepen, bij de verlening van bijstand worden gewezen op de inlichtingenverplichting en worden voorgelicht over de reikwijdte van deze verplichting. Appellant was er in de periode in geding dus van op de hoogte dat hij aan het bestuur op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling moest doen van alle feiten en omstandigheden die van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat appellant door de bijschrijvingen en kasstortingen in de periode in geding, naast zijn bijstandsuitkering, beschikte over extra gelden die hij vrijelijk kon besteden, kan appellant zich er niet met vrucht op beroepen dat hem niet kenbaar is gemaakt dat hij ook geleende bedragen moest melden bij het bestuur. Zo daarover twijfel of onduidelijkheid bestond, had hij bij het bestuur moeten informeren of en, zo ja, in hoeverre de ontvangst van geleende bedragen van invloed was op zijn bijstandsuitkering. Dit leidt tot de slotsom dat het appellant te verwijten valt dat hij de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

5.8.

Uit 5.7 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Deze uitspraak, voor zover aangevochten, moet daarom ook worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) L.V. van Donk

HD