Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
22-02-2016
Zaaknummer
15/413 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Vaststellingsovereenkomst bij beëindiging arbeidsovereenkomst. Inkomsten om in levensonderhoud te voorzien ter compensatie van loon. Ten tijde van het bestreden besluit kunnen beschikken over inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 413 WWB

Datum uitspraak: 16 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

8 december 2014, 14/3734 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 5 januari 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Na zijn ontslag heeft appellant zich begin september 2013 gemeld bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) voor het aanvragen van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW-uitkering). Hij heeft zich op 5 september 2013 eveneens gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen, met als gewenste ingangsdatum 2 juli 2013.

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 17 september 2013 te kennen gegeven dat appellant vanaf

2 juli 2013 wel recht had op een WW-uitkering, maar dat deze niet zou worden uitbetaald op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos was.

1.3.

Bij besluit van 5 november 2013 heeft het college bijstand toegekend met ingang van

2 september 2013. Het college heeft geen reden gezien om met ingang van een eerdere datum bijstand toe te kennen.

1.4.

Ingevolge een vaststellingsovereenkomst die appellant en zijn voormalig werkgever in november 2013 hebben gesloten, is de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per

1 augustus 2013 beëindigd. Het loon tot 1 augustus 2013 is betaald. Partijen zijn overeengekomen dat de werkgever aan appellant “in verband met de te verwachten moeilijke herplaatsbaarheid in het arbeidsproces en in verband met de in de komende jaren te verwachten inkomstenderving en in aanvulling op een eventueel te verkrijgen sociale uitkering” een vergoeding betaalt van € 4.752,- bruto (vergoeding).

1.5.

Bij besluit van 2 april 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 september 2013 gegrond verklaard en vanaf 1 oktober 2013 een WW-uitkering toegekend. Het Uwv heeft appellant over de periode tot en met 30 september 2013 het recht op een

WW-uitkering ontzegd, op de grond dat de vergoeding is te beschouwen als loon over de opzegtermijn die niet in acht is genomen.

1.6.

Bij besluit van 5 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2013, gericht tegen de ingangsdatum van de bijstand, gegrond verklaard wegens wijziging van grondslag daarvan. Dit heeft niet geleid tot toekenning van bijstand met een eerdere ingangsdatum. Het college heeft, na de vaststelling dat het geschil nog slechts zag op de maanden augustus en september 2013, de aanvraag alsnog afgewezen in verband met een voorliggende voorziening, namelijk het recht op een WW-uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant over de maanden augustus en september 2013 geen aanspraak had op een WW-uitkering en dat het college de aanvraag daarom ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat er een voorliggende voorziening was. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat de vergoeding moet worden beschouwd als inkomsten, bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan over de periode na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hierbij heeft de rechtbank gewezen op het bepaalde in de vaststellingsovereenkomst en het door appellant niet bestreden besluit van het Uwv van

2 april 2014. Nu de ontvangen vergoeding hoger is dan de voor appellant geldende bijstandsnorm heeft het college de aanvraag naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is het recht op bijstand over de periode van 1 augustus 2013 tot 1 oktober 2013 (te beoordelen periode), aangezien appellant tot 1 augustus 2013 loon heeft ontvangen en per 1 oktober 2013 recht had op een WW-uitkering.

4.2.

Volgens appellant moet de vergoeding niet alleen aan deze periode worden toegerekend, maar aan een langere periode. In dat geval zou wel recht op bijstand bestaan. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de gegeven omstandigheden de vergoeding dient te worden aangemerkt als inkomsten, bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan over de periode na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Appellant heeft zijn stelling dat de vergoeding zag op te derven loon over een langere periode dan het college heeft aangenomen niet gespecificeerd en niet onderbouwd. Die stelling heeft appellant dan ook niet aannemelijk gemaakt. Dat de vergoeding een andere bestemming had, is niet gebleken. Vergelijk de uitspraak van 3 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9495. Daaraan voegt de Raad toe dat de vergoeding, gelet op hetgeen in de vaststellingsovereenkomst daarover is opgenomen, kan worden geacht het gederfde loon te compenseren tot ten minste de voor appellant geldende bijstandsnorm. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellant over de te beoordelen periode kon worden geacht te beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij pas in december 2013 feitelijk de beschikking kreeg over de vergoeding. Aangezien hij in de te beoordelen periode nog niet hierover beschikte, had het college bijstand moeten toekennen en deze vervolgens wegens naderhand verkregen middelen, namelijk de vergoeding, kunnen terugvorderen met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB. Ook hierin wordt appellant niet gevolgd. In bezwaar vindt een beoordeling plaats naar de feiten zoals die zich op dat moment voordoen. Ten tijde van het bestreden besluit beschikte appellant al over de vergoeding. Op dat moment kon het college het recht op bijstand al correct vaststellen. Niet valt in te zien waarom het college de reeds bekende informatie bij de besluitvorming buiten beschouwing zou moeten laten om vervolgens op grond van diezelfde informatie die besluitvorming te corrigeren en een teveel aan verleende bijstand terug te vorderen. Voorts valt niet in te zien welk belang appellant zou hebben bij een dergelijke gang van zaken.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R.G. van den Berg

HD