Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
14/7113 WW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdstuk IV WW. Vorderingen dienen duidelijk aanwijsbaar te zijn, voldoende concreet en niet aan gerede twijfel onderhevig te zijn. Appellant heeft niet ingestemd met beëindiging arbeidsovereenkomst per 1 november 2012. Tijdig beroep op vernietigingsgrond. Niet rechtsgeldige opzegging door werkgever. Bereidheid verrichten arbeid. WW-uitkering niet juist berekend. Opdracht gebrek herstellen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 64
Werkloosheidswet 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/39
INS-Updates.nl 2017-0005
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7113 WW-T

Datum uitspraak: 5 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

14 november 2014, 14/2084 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Schalkwijk.

De zaak is opnieuw ter zitting behandeld op 24 oktober 2016, waar appellant, zijn gemachtigde en A.M.M. Schalkwijk zijn verschenen.


OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 juli 2011 in dienst getreden van [naam werkgever] (werkgever) als algemeen manager vestiging Den Haag op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Appellant is met de werkgever een netto salaris van € 3.000,- per maand op basis van een werkweek van 40 uur overeengekomen.

1.2.

Bij brief van 29 oktober 2012 heeft de werkgever appellant het volgende meegedeeld:

“Zoals besproken bevestigen we hierbij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aflopend op 31 oktober aanstaande.
Ondanks alle inzet zijn we er helaas niet in geslaagd tot een positief resultaat te komen. Met name de terugval van grote inleners kon niet worden gecompenseerd. Derhalve zullen we louter uit bedrijfseconomische overwegingen dit besluit moeten nemen. (…)”.

1.3.

Appellant heeft van 1 november 2012 tot en met 28 februari 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.

1.4.

Met ingang van 1 februari 2013 is appellant in dezelfde functie weer gaan werken voor werkgever en heeft daarvoor loon ontvangen ter hoogte van het minimumloon.

1.5.

Bij brief van 26 april 2013 heeft mr. Van de Wetering namens appellant de werkgever meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst bij brief van 29 oktober 2012 is opgezegd zonder dat de werkgever beschikte over toestemming op grond van artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA), zodat deze opzegging vernietigbaar is. Appellant heeft uitdrukkelijk een beroep op de nietigheid van deze opzegging gedaan en, nu hij zich beschikbaar voor werk heeft gehouden, volledige doorbetaling van het loon vanaf 1 november 2012 gevorderd.

1.6.

Op 9 juli 2013 is de werkgever in staat van faillissement verklaard.

1.7.

Appellant heeft op 22 juli 2013 een aanvraag overname betalingsverplichtingen op grond van hoofdstuk IV van de WW bij het Uwv ingediend. Daarbij heeft hij vermeld dat zijn loon

€ 4.687,- bruto per maand bedroeg en dat tot en met 31 oktober 2012 het loon volledig is uitbetaald. Ook heeft hij vermeld dat het dienstverband onderbroken is geweest van

1 november 2012 tot 1 februari 2013 en dat daarna alsnog herstel van het dienstverband is gevorderd.

1.8.

In afwachting van een beslissing op deze aanvraag heeft appellant van het Uwv voorschotten ontvangen ten bedrage van totaal € 20.239,32.

1.9.

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het Uwv appellant een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW toegekend en een bedrag aan te veel ontvangen van voorschotten totaal € 14.855,50 teruggevorderd.

2. Bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 oktober 2013 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. Niet in geschil is de periode waarover de verplichtingen van de werkgever dienen te worden overgenomen, maar wat onder loon in hoofdstuk IV van de WW dient te worden verstaan. De rechtbank acht het niet onjuist dat het Uwv in de gegeven omstandigheden ervan uit is gegaan dat de op 1 juli 2011 afgesloten arbeidsovereenkomst per 31 oktober 2012 is beëindigd. De brief van 29 oktober 2012 van de werkgever aan appellant en de omstandigheid dat appellant in november 2012 vakantiegeld is uitbetaald bieden daarvoor voldoende basis. Dit betekent dan ook dat het Uwv terecht is uitgegaan van het loon dat appellant op en na 1 februari 2013 heeft genoten. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij op en na

1 februari 2013 recht zou hebben op een netto loon van € 3.000,-. De brief van appellant van 26 april 2013 aan de werkgever alsmede de omstandigheid dat appellant naar eigen zeggen dezelfde functie in een gelijk aantal uren is gaan vervullen, bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door eenzijdige opzegging zonder dat werd beschikt over toestemming ex artikel 6 van het BBA, niet rechtsgeldig was. In elk geval vanaf 1 februari 2013 heeft appellant dezelfde werkzaamheden verricht als in deze arbeidsovereenkomst was overeengekomen en ook in dezelfde omvang. Hij heeft op goede gronden aanspraak gemaakt op zijn volledige loon vanaf 1 november 2012. Niet kan worden gezegd dat hij deze aanspraken jegens de werkgever heeft prijsgegeven.

5. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

In geschil is de vraag op welk loonbedrag de aanspraken van appellant op grond van hoofdstuk IV van de WW moet worden gebaseerd. Het Uwv is uitgegaan van het loon dat appellant met ingang van februari 2013 bij de werkgever heeft verdiend (€ 1.469,- bruto per maand). Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst van 1 juli 2011 per 1 november 2012 is beëindigd, zodat appellant daaraan geen loonaanspraken kan ontlenen. Appellant is op de onder 4 genoemde gronden van mening dat hij in de voor hoofdstuk IV van de WW relevante perioden aanspraak heeft op het loon dat hij vóór

1 november 2012 verdiende (€ 4.687,- bruto per maand, een bedrag dat vrijwel overeenkomt met het in de arbeidsovereenkomst genoemde bedrag van € 3.000,- netto per maand).

6.2.

In hoofdstuk IV van de WW is geregeld dat het Uwv in geval van betalingsonmacht van de werkgever de uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen overneemt die de werkgever heeft tegenover zijn werknemer. Als uitgangspunt geldt dat de door het Uwv over te nemen verplichtingen worden bepaald door wat de werkgever en de werknemer in hun rechtsverhouding waren overeengekomen of wat uit het burgerlijk recht ten aanzien van die rechtsverhouding voortvloeit. Ter vaststelling van de aanspraken van de werknemer moet de bestuursrechter zelfstandig de uit het burgerlijk recht voortvloeiende verplichtingen van de tot betaling onmachtige werkgever en de arbeidsrechtelijke verhouding tussen de werkgever en de werknemer beoordelen. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat vorderingen niet voor overneming op basis van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komen als zij niet duidelijk aanwijsbaar zijn, niet voldoende concreet en aan gerede twijfel onderhevig zijn. Dat betekent dat de bestuursrechter zich een oordeel heeft te vormen of uit het arbeidsrecht en de arbeidsrechtelijke rechtspraak voortvloeit dat een tussen de werkgever en de werknemer niet vaststaande aanspraak aan de eis van aanwijsbaarheid voldoet en zo concreet is dat die vordering, ware zij aan de burgerlijke rechter ter beoordeling voorgelegd, zou zijn toegewezen (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:1243).

6.3.1

Ter beantwoording is de vraag of de loonaanspraak van appellant zo aanwijsbaar en concreet en niet aan gerede twijfel onderhevig is, dat deze door de burgerlijke rechter zou zijn toegewezen.

6.3.2.

Op grond van de stukken en de toelichting van appellant ter zitting is gebleken dat de werkgever kort voor het verzenden van de brief van 29 oktober 2012, aan appellant een gewijzigde arbeidsovereenkomst heeft overhandigd, waarin was opgenomen dat het per

1 juli 2011 aangegane dienstverband wordt verlengd met twaalf maanden met ingang van

1 november 2011 en van rechtswege zonder schriftelijke opzegging zal eindigen op

31 oktober 2012. Appellant heeft geweigerd deze overeenkomst te ondertekenen, waarna de werkgever de brief van 29 oktober 2012 heeft verzonden. Appellant heeft toegelicht dat hij in februari 2013 opnieuw is gaan werken voor de werkgever in zijn oude functie van manager van de vestiging in Den Haag. Hij heeft toen noodgedwongen een veel lager salaris geaccepteerd omdat hij, onder meer wegens problemen met de Belastingdienst, hard om een inkomen verlegen zat. Hij is daarna in contact gekomen met zijn gemachtigde, die namens hem de brief van 26 april 2013 aan werkgever heeft gestuurd waarin de nietigheid van de opzegging is ingeroepen en doorbetaling van het oude loon is gevorderd. In mei 2013 hebben gesprekken tussen appellant, zijn gemachtigde en de werkgever plaatsgevonden, die blijkens een brief van de gemachtigde van 28 mei 2013 aan de werkgever op dat moment nog niet tot resultaat hadden geleid. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat de loonvordering niet bij de rechter is ingediend, omdat er rond die tijd al geruchten gingen over een faillissement van de werkgever.

6.3.3.

Gelet hierop kan niet worden gezegd, zoals het Uwv stelt, dat appellant heeft ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 november 2012. Er was sprake van een eenzijdige opzegging door de werkgever. Dit wordt niet anders door het feit dat appellant zich hier aanvankelijk bij heeft neergelegd, het vakantiegeld heeft ontvangen en een WW-uitkering heeft aangevraagd.

6.3.4.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van het BBA is een opzegging zonder de op grond van artikel 6 vereiste toestemming vernietigbaar. Op grond van artikel 9, derde lid, kan de werknemer gedurende zes maanden een beroep doen op deze vernietigingsgrond. Bij de in 1.5 genoemde brief van 26 april 2013 heeft appellant dat binnen deze termijn gedaan. Gelet hierop is de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 november 2012 niet rechtsgeldig en heeft appellant op grond van artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek recht op loon indien hij bereid is de bedongen arbeid te verrichten. Vaststaat dat deze bereidheid in elk geval vanaf

1 februari 2013 aanwezig was, nu appellant vanaf die datum zijn oude werkzaamheden heeft hervat.

6.4.

Hieruit volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat de vordering van het loon op grond van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2011 van € 4.687,- bruto per maand, als deze bij de burgerlijke rechter was ingediend, zou zijn toegewezen. Nu de uitkering niet is berekend op basis van dit loon is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 64 en 67 van de WW. Het Uwv zal de uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW op basis van dit loon opnieuw dienen te berekenen, alsmede een nieuwe beslissing dienen te nemen over de terugvordering van de betaalde voorschotten.

6.5.

De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 7 februari 2014 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en E. Dijt en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) N. van Rooijen

RB