Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4843

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
16/1226 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft er met recht op gewezen dat de Regeling bij besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 21 december 2004, met ingang van 1 januari 2005 is ingetrokken en derhalve ten tijde van de voorliggende besluitvorming niet meer gold. Voorts blijkt uit de door het college overgelegde tekst van de Uitvoeringsvoorschriften ambtenarenreglement dat de betreffende artikelen waar appellant naar verwijst, zien op (toelagen voor) respectievelijk de ambtenaar in de rang van sluismeester en de ambtenaar die in zijn functie een kas beheert en dus niet van toepassing zijn op appellant als chauffeur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1226 AW

Datum uitspraak: 15 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 januari 2016, 15/3339 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

In antwoord op een verzoek van de Raad heeft het college het besluit van 30 maart 2015 (bestreden besluit) bekrachtigd en nadere stukken overgelegd.

Appellant heeft zijn zienswijze gegeven op de nadere stukken.

Het college heeft een schriftelijke reactie gegeven op de zienswijze van appellant en daarbij nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.G.M. Johannes en drs. J.A. Gast. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Plas en drs. E.I. van Tol.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1978 in dienst bij de provincie [provincie] , vanaf 1 september 1985 in de functie van chauffeur personenvervoer. In 2004 is de functie van chauffeur personenvervoer ondergebracht in de nieuwe functiebenaming Technisch uitvoerend ondersteuner B.

1.2.

Appellant ontving sinds 1985 in aanvulling op zijn salaris een ‘vaste overwerkvergoeding GS-chauffeurs’, laatstelijk ter hoogte van € 1.346,84. Daarnaast ontving appellant onder meer maandelijks een zogenoemde premie schadevrij rijden van € 35,63 en een garantie dagvergoeding van € 113,05.

1.3.

Omdat appellant met ingang van 1 december 2012 op medische gronden onbevoegd is verklaard voor beroepsmatig personenvervoer, is hij sinds 1 juni 2013 werkzaam bij de receptie. Deze werkzaamheden verricht hij binnen zijn eigen functie van Technisch uitvoerend ondersteuner B.

1.4.

Bij besluit van 21 oktober 2014, gehandhaafd bij besluit van 30 maart 2015 (bestreden besluit), heeft het college de premie schadevrij rijden en de garantie dagvergoeding per

1 november 2014 ingetrokken. Daarnaast heeft het college de vaste overwerkvergoeding

GS-chauffeurs uitgesplitst in vier onderdelen, en bepaald dat appellant volledige aanspraak behoudt op de persoonlijke toelage van € 320,- en de toelage onregelmatige dienst van

€ 146,52, maar dat de ambtstoelage van € 396,63 en de consignatietoelage van € 483,69 alleen gedurende het jaar van 1 juni 2013 tot 1 juni 2014 voor 100% wordt uitgekeerd en daarna wordt verlaagd tot 80% van het oorspronkelijke bedrag. Omdat het college ten tijde van deze besluitvorming niet kon achterhalen wat de grondslag van de vaste overwerkvergoeding

GS-chauffeurs is geweest, heeft zij voor de uitsplitsing naar componenten van de overwerkvergoeding aansluiting gezocht bij het Besluit personenchauffeurs (besluit van Gedeputeerde Staten van

Zuid-Holland van 26 september 2000). De afbouw van componenten van de toelage heeft vervolgens plaatsgevonden langs de regels van de Collectieve arbeidsvoorwaarden provincies (CAP) en de Uitvoeringsregeling bezoldiging provincie Zuid-Holland (Uitvoeringsregeling).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zowel het besluit van 21 oktober 2014 als het bestreden besluit zijn namens het college genomen door een en dezelfde persoon, te weten de directeur [directeur] . In artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt krachtens mandaat heeft genomen. Zoals de Raad eerder heeft vastgesteld (uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550) kan (ook) bij een bevoegdheidsgebrek als hier aan de orde toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb, zoals die bepaling sinds 1 januari 2013 luidt. Met de brief van 11 augustus 2016 heeft het college het bestreden besluit uitdrukkelijk voor zijn rekening genomen. Nu niet aannemelijk is dat appellant door voormeld bevoegdheidsgebrek is benadeeld, zal de Raad dit gebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

4.2.

Het geschil in hoger beroep beperkt zich tot de afbouw van de ambtstoelage en de consignatietoelage, deel uitmakend van de vaste overwerkvergoeding GS-chauffeurs.

4.3.

In beroep is komen vast te staan dat de grondslag van de vaste overwerkvergoeding

GS-chauffeurs is gelegen in artikel 12 van de Regeling toelagen, vergoedingen en gratificaties, vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid Holland van 30 oktober 1984 (Regeling). Dit artikel luidt: “De ambtenaar wiens functie inhoudt de besturing van een provinciale personenauto respectievelijk de gezagvoering over het provinciale dienstvaartuig en diens plaatsvervanger, ontvangen voor het opgedragen overwerk een vaste vergoeding van (…) respectievelijk (…) per maand”. Bij besluit van 30 november 1987 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid Holland bepaald dat artikel 12 van de Regeling vervalt, doch van toepassing blijft op hen die vanaf de datum van inwerkingtreding van de Regeling toelagen, vergoedingen en gratificaties in het genot zijn van een vaste overwerkvergoeding ingevolge dit artikel. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat voor hen uitgangspunt is dat artikel 12 van de Regeling voor appellant van toepassing is gebleven. Hieruit volgt dat bij de beoordeling van het geschil aan het Besluit personenchauffeurs geen betekenis toekomt.

4.4.

Uit artikel 12 van de Regeling volgt dat degene wiens functie niet meer inhoudt ‘het besturen van een provinciale personenauto (…)’ niet meer op basis van de Regeling recht heeft op deze vergoeding. Nu appellant baliewerkzaamheden verricht en aan hem de taak van het besturen van een personenauto niet meer is opgedragen, moet worden vastgesteld dat zijn functie niet (meer) inhoudt ‘het besturen van een provinciale auto’.

4.5.

Appellant heeft betoogd dat zijn overwerkvergoeding was gekoppeld aan zijn functie en dat hij daarom, nu hij immers formeel nog steeds dezelfde functie bekleedt, aanspraak kan maken op 100% doorbetaling van deze vergoeding tot aan het einde van zijn dienstverband. Voor zover appellant hiermee bedoelt dat sprake is van een persoonsgebonden toelage, en dat zijn toelage om die reden niet kan worden afgebouwd, moet dit betoog op grond van wat in 4.4 is overwogen worden verworpen. Dat de benaming van zijn functie geen wijziging heeft ondergaan maakt dit niet anders.

4.6.

Met betrekking tot de rechtsgrond van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende. In de CAP is opgenomen welke toelagen en uitkeringen / gratificaties er mogelijk zijn. De ‘vaste overwerkvergoeding GS-chauffeurs’ moet worden aangemerkt als vaste vergoeding als bedoeld in artikel C.20, lid 9 van de CAP. Het standpunt van appellant dat artikel C.13, achtste lid van de CAP van toepassing is op de overwerkvergoeding

GS-chauffeurs wordt niet gevolgd, omdat artikel C.13 (alleen) regels geeft over de afbouw van de toelage onregelmatige dienst.

4.7.

In artikel C.20 van de CAP is niet geregeld op welke wijze deze vergoeding kan worden ingetrokken of afgebouwd. Wel kunnen Gedeputeerde Staten ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen. Dit is gebeurd in de in 1.4 genoemde Uitvoeringsregeling. Het college heeft aan de intrekking van 20% (na een jaar) van de ambtstoelage en van de consignatietoelage artikel 10 van de Uitvoeringsregeling ten grondslag gelegd. Artikel 10,

lid 1, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling bepaalt dat een overgangstoelage wordt toegekend aan de ambtenaar wiens bezoldiging (…) wordt verlaagd als gevolg van het (…) verminderen van overwerk, als bedoeld in artikel C.20 van de CAP (…). Op grond van

artikel 10, vierde lid, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling bedraagt de overgangstoelage gedurende één jaar 100% en vervolgens 80% van het verschil (…). indien de ambtenaar de toelage heeft genoten (…) gedurende een periode van tenminste 25 jaar.

Artikel 10 lid 1, sub c en lid 4 van de Uitvoeringsregeling in verbinding met artikel C.20 van de CAP bieden daarmee een toereikende grondslag voor het besluit tot afbouw van de volledige ‘vaste overwerkvergoeding GS-chauffeurs’ naar 80% (na 1 jaar).

4.8.

De Raad volgt appellant in zijn standpunt dat, nu het Besluit personenchauffeurs niet van toepassing is, er geen grondslag bestond voor het splitsen van de overwerktoelage

GS-chauffeurs in componenten. Dit kan echter niet leiden tot het door appellant gewenste gevolg dat de vaste overwerkvergoeding GS-chauffeurs in het geheel niet mocht worden verminderd. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellant door het splitsen niet tekort is gedaan.

4.9.

Tot slot heeft appellant aangevoerd dat het afbouwen van enkele delen van zijn toelage in strijd is met artikel 18 van de Regeling in samenhang met artikel 31, tweede lid en artikel 38 van de Uitvoeringsvoorschriften Ambtenarenreglement. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft er met recht op gewezen dat de Regeling bij besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 21 december 2004, met ingang van 1 januari 2005 is ingetrokken en derhalve ten tijde van de voorliggende besluitvorming niet meer gold. Voorts blijkt uit de door het college overgelegde tekst van de Uitvoeringsvoorschriften ambtenarenreglement dat de betreffende artikelen waar appellant naar verwijst, zien op (toelagen voor) respectievelijk de ambtenaar in de rang van sluismeester en de ambtenaar die in zijn functie een kas beheert en dus niet van toepassing zijn op appellant als chauffeur.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd met verbetering van gronden, omdat de rechtbank zelf geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.R. Eggeraat als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD