Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
15/1661 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Onduidelijke woon- en financiële situatie. Oproep één dag van tevoren is te kort. Door schorsende werking was college niet gehouden tot besluitvorming naar aanleiding van de aangevallen uitspraak. Geen dwangsom te verbeuren.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/39
USZ 2017/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1661 WWB, 15/4416 WWB

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 januari 2015, 14/3472 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E. Kafa, advocaat, een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 12 juni 2015 een beroep van betrokkene, gericht tegen het uitblijven van een besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak (nader besluit), doorgezonden naar de Raad. Hierin heeft betrokkene verzocht om toekenning van een dwangsom omdat appellant niet tijdig heeft beslist naar aanleiding van de aangevallen uitspraak. Dit beroep is bij de Raad geregistreerd onder nummer 15/4416 WWB. In deze zaak heeft appellant een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blok en mr. H.J. Kooistra. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving laatstelijk vanaf 12 mei 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van een toezichthouder GBA van de gemeente Lansingerland, dat diverse personen zich in korte tijd op het uitkeringsadres hebben laten

in- en uitschrijven, hebben bijzonder controleurs van de afdeling bijzondere controle van de afdeling Publiekszaken van de gemeente Lansingerland op verzoek van appellant een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, informatie ingewonnen bij Woningbouwvereniging 3B-Wonen (woningbouwvereniging), zijn waarnemingen verricht waarbij meermalen een voorwerp tussen de voordeur van betrokkenes woning en de deurpost is geplaatst en is buurtonderzoek verricht in de omgeving van het uitkeringsadres. Nadat betrokkene op 19 september 2013 niet had gereageerd op herhaaldelijk aanbellen aan zijn voordeur en vijf pogingen tot telefonisch contact met betrokkene op die dag niet slaagden, hebben controleurs op 25 september 2013 om 16.00 uur een brief in de brievenbus van het uitkeringsadres gedaan. Daarin is betrokkene verzocht de volgende dag om 12.00 uur op het gemeentehuis te verschijnen. Betrokkene is op die dag en tijd niet op het gemeentehuis verschenen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een Rapportage Bijzonder Onderzoek (rapportage) van 3 oktober 2013. Deze rapportage is op 4 september 2014 aangevuld.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft appellant bij besluit van 24 oktober 2013 de bijstand van betrokkene vanaf 1 september 2013 ingetrokken en de over de periode van 1 september 2013 tot en met 30 september 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 628,68 van betrokkene teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden over zijn woon- en leefsituatie als gevolg waarvan het recht op bijstand vanaf 1 september 2013 niet kan worden vastgesteld. Tevens is betrokkene hierbij verzocht vóór 5 november 2013 alle gegevens over te leggen die betrekking hebben op het loon dat hij in de periode van 12 mei 2013 tot en met 30 juni 2013 van zijn ex-werkgever heeft ontvangen of nog moet ontvangen.

1.4.

Op 27 november 2013 heeft betrokkene een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Hierbij heeft hij bankafschriften overgelegd. Uit deze bankafschriften is gebleken dat betrokkene in de periode van 18 juli 2013 tot eind 2013 geen pintransacties heeft verricht die voor levensonderhoud bestemd zouden kunnen zijn en slechts twee contante geldopnames heeft gedaan. Na confrontatie daarmee heeft betrokkene verklaard dat hij weinig geld nodig had omdat hij twee dagen per week in diverse moskeeën in Rotterdam at.

1.5.

Bij besluit van 16 april 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft appellant, onder aanvulling van de motivering, mede ten grondslag gelegd dat betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Door de onduidelijkheid over zijn financiële situatie niet weg te nemen kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant binnen tien weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van appellant dat in de te beoordelen periode sprake is van een onduidelijke woon- en leefsituatie waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De in het kader van de nieuwe aanvraag om bijstand overgelegde gegevens - die appellant in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar heeft meegenomen - zeggen niets over de woon- en leefsituatie van betrokkene, zodat appellant deze gegevens niet ten grondslag mocht leggen aan zijn conclusie dat sprake was van een onduidelijke woonsituatie.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen in onderlinge samenhang bezien een toereikende grondslag bieden voor het standpunt dat door de onduidelijke

woon- en leefsituatie en onduidelijkheid over de financiële situatie van betrokkene het recht op bijstand niet is vast te stellen. Appellant heeft verder betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de onduidelijke financiële situatie van betrokkene.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 september 2013 tot en met 24 oktober 2013.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

De aangevallen uitspraak

4.4.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.5.

Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat betrokkene niet kan worden tegengeworpen dat hij niet op 26 september 2013 op de afspraak is verschenen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1790) mag het college er in beginsel van uitgaan dat post die in de brievenbus van het woonadres van een betrokkene wordt gedaan met een uitnodiging om de daarop volgende dag te verschijnen, de betrokkene zo tijdig bereikt dat hij aan die uitnodiging gevolg kan geven of om uitstel kan verzoeken. Dit uitgangspunt gaat hier niet op. Vaststaat dat de brief op 25 september 2013 pas om 16.00 uur in de brievenbus in de centrale hal van het uitkeringsadres is gedeponeerd. Betrokkene heeft van meet af aan te kennen gegeven dat hij zijn brievenbus dagelijks tussen 14.00 en 15.00 uur leegt. Gelet hierop kan hem niet worden tegengeworpen dat hij niet tijdig op de hoogte was van de afspraak. Verder heeft betrokkene nadat hij de brief de volgende dag had gezien contact opgenomen met [D.] (D), die vaker als zaakwaarnemer voor betrokkene optreedt, en heeft D direct de volgende dag telefonisch contact met appellant opgenomen. Gelet hierop had het op de weg van appellant gelegen om betrokkene opnieuw op te roepen voor een gesprek.

4.6.

De overige onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkene zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van zijn woon- en leefsituatie. Uit de rapportage van 3 oktober 2013 en de aanvullende rapportage van 4 september 2014 blijkt dat tijdens de in de periode van

12 september 2013 tot en met 19 september 2013 verrichte waarnemingen de voordeur van het uitkeringsadres niet is geopend. Uit het in de omgeving van het uitkeringsadres gehouden buurtonderzoek blijkt dat diverse buurtbewoners afzonderlijk van elkaar tegenover de rapporteurs hebben verklaard dat zij betrokkene kennen, dat ze hem in ieder geval al meer dan een maand niet meer hebben gezien of gehoord en dat zij hem daarvoor wel zagen. Deze verklaringen zijn consistent en stemmen met elkaar overeen. De onderzoeksbevindingen vinden steun in de mededeling van een medewerker van de woningbouwvereniging dat betrokkene tijdens diverse rondes nooit thuis is aangetroffen. Verder is betrokkene tijdens een poging om een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het uitkeringsadres op

19 september 2013 evenmin aangetroffen. De enkele stelling van betrokkene dat hij door zijn vele schuldeisers niet reageert op de deurbel doet hieraan niet af.

4.7.

Appellant stelt zich op het standpunt dat daarnaast sprake is van een onduidelijke financiële situatie doordat betrokkene onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Als gevolg hiervan kan ook om deze reden het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

4.8.

Uit de door betrokkene overgelegde bankafschriften blijkt dat hij in de periode vanaf

18 juli 2013 tot eind 2013 geen pinbetalingen ten behoeve van zijn dagelijks levensonderhoud heeft gedaan. Daarnaast heeft betrokkene in deze periode slechts tweemaal een contante geldopname gedaan van in totaal € 130,-. Het standpunt van betrokkene dat hij weinig geld nodig had om in zijn levensonderhoud te voorzien omdat hij tweemaal per week in een moskee in Rotterdam at, heeft hij niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Bovendien blijkt hieruit niet hoe hij de overige dagen van de week in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat betrokkene tevens onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn financiële situatie. Anders dan betrokkene heeft betoogd gaat het meenemen van dit aspect het karakter van de heroverweging in bezwaar niet te buiten.

4.10.

Uit 4.6 tot en met 4.9 volgt dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand van betrokkene in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Appellant was dan ook gehouden de bijstand van betrokkene vanaf 1 september 2013 in te trekken en de over de periode van 1 tot en met 30 september 2013 gemaakte kosten van bijstand van betrokkene terug te vorderen.

Uitblijven nader besluit

4.11.

Betrokkene wordt niet gevolgd in zijn stelling dat appellant ten onrechte heeft nagelaten om, overeenkomstig de aangevallen uitspraak, binnen tien weken na verzending van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en dat hij daarom recht heeft op een door appellant verbeurde dwangsom. Uit artikel 8:106, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 9 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2 bij de Awb) volgt immers dat aan het instellen van hoger beroep schorsende werking is verbonden. Dit betekent dat appellant niet gehouden was de opdracht van de rechtbank uit te voeren en binnen tien weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Slotsom

4.12.

Uit 4.10 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

4.13.

Uit 4.11 volgt dat het beroep van betrokkene ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

in het geding met nummer 15/1661 WWB:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 april 2014 ongegrond.

in het geding met nummer 15/4416 WWB:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.M. Overbeeke en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD