Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
16/789 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LNFP. Functieonderhoud. Functiewaardering. De conclusie is dat de functie van appellanten, zoals omschreven in het samenstel van werkzaamheden, wat betreft het niveaubepalende element verantwoordelijkheid niet voldoet aan de referentiefunctie Groepschef B. Daarmee is de waardering van hun functie op het niveau van de referentiefunctie Groepschef A geenszins onhoudbaar. Uit deze conclusie volgt ook dat de korpschef, anders dan appellanten hebben betoogd, mocht afwijken van het advies van de CABF en dat ook afdoende gemotiveerd heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/789 AW, 16/790 AW

Datum uitspraak: 8 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2015, 14/954 en 14/938 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats 1] en [appellant 2] te [woonplaats 2] (appellanten)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H. Oosting hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Oosting. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Wensen en J.A. van Renswoude.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij brief van 22 april 2011 zijn appellanten geïnformeerd over het voorgenomen besluit over hun uitgangspositie voor de toekenning van een functie in het Landelijk functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Hun voorgenomen uitgangspositie was Groepschef A. Naar aanleiding hiervan hebben appellanten een verzoek om functieonderhoud ingediend.

1.2.

Die verzoeken zijn afgewezen en na bezwaar gehandhaafd. Vervolgens heeft de rechtbank Utrecht de beroepen daarover van appellanten bij uitspraak van 22 november 2012 gegrond verklaard en opdracht gegeven nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat, nu appellanten gedurende ten minste de helft van hun werktijd in de referteperiode werkzaamheden hebben verricht die, gelet op de grootte van de groep aan wie operationeel leiding wordt gegeven, wezenlijk afwijken van de werkzaamheden zoals beschreven in de functiebeschrijving van Groepschef A, een nadere inventarisatie en beschrijving van de hier bedoelde werkzaamheden niet achterwege had mogen blijven.

1.3.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de korpschef besloten alsnog over te gaan tot functieonderhoud. Vervolgens is een nieuwe beschrijving voor de functie van appellanten opgesteld en vastgesteld, de ‘beschrijving samenstel van werkzaamheden functieonderhoud LFNP 2011’ (samenstel van werkzaamheden). Na ontvangst van een functiewaarderingsadvies en kennisgeving aan appellanten van zijn voornemen om hun functie overeenkomstig dit advies te waarderen, heeft de korpschef de functie van appellanten zoals beschreven in het samenstel van werkzaamheden bij besluiten van 30 september 2013 gewaardeerd op het niveau van schaal 8. Daarbij heeft de korpschef het advies van de Heroverwegingscommissie functiewaardering overgenomen om de bedenkingen van appellanten tegen de voorgenomen waardering ongegrond te verklaren.

1.4.

Bij besluiten van 5 juni 2014 (bestreden besluiten) heeft de korpschef de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 30 september 2013 ongegrond verklaard. Daarbij is de korpschef gemotiveerd afgeweken van het advies van de Commissie van Advies bezwaren functiewaardering Politie (CABF).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben op de hierna te bespreken gronden hoger beroep

ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad terecht vooropgesteld dat de rechterlijke toetsing bij functiewaardering terughoudend dient te zijn. De rechter moet beoordelen of de waardering op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden waardering niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daarvoor is ontoereikend dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is (uitspraak van

13 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2732).

4.2.

Het geschil is toegespitst op de vraag of de functie van appellanten, zoals omschreven in het samenstel van werkzaamheden, op het punt van verantwoordelijkheid vergelijkbaar is met de referentiefunctie Groepschef A (schaal 8) of met de referentiefunctie Groepschef B (schaal 9). Appellanten hebben aangevoerd dat hun functie wel degelijk voldoet aan het niveaubepalende element verantwoordelijkheid van de referentiefunctie Groepschef B.

4.3.

In de beschrijving van de referentiefunctie Groepschef A is als niveaubepalend element vermeld: ‘voortgangsverantwoordelijkheid voor de werkzaamheden van een kleine groep medewerkers basispolitiezorg’. Bij de functie-inhoud is onder het kopje ‘operationele leiding’ vermeld: ‘dagelijkse leiding over een groep medewerkers (circa 10)’. In de beschrijving van de referentiefunctie Groepschef B is als niveaubepalend element vermeld: ‘verantwoordelijkheid voor de werkzaamheden van een grotere groep medewerkers basispolitiezorg’. Bij de functie-inhoud is onder het kopje ‘operationele leiding’ vermeld: ‘leiding over een grotere groep medewerkers (circa 20)’.

4.4.

De korpschef heeft ter zitting toegelicht dat met de ‘verantwoordelijkheid’ bij de Groepschef B en de ‘voortgangsverantwoordelijkheid’ bij de Groepschef A geen te onderscheiden soorten verantwoordelijkheid zijn bedoeld. Het gaat in beide gevallen om de integrale verantwoordelijkheid voor een groep medewerkers die veel verder gaat dan een dagelijkse aansturing. Gelet op deze toelichting, die aansluit bij de beschrijving van beide referentiefuncties, is het kenmerkende verschil tussen de referentiefuncties Groepschef A en Groepschef B de grootte van de groep medewerkers waarvoor zij de integrale verantwoordelijkheid dragen. Niet in geschil is dat appellanten die verantwoordelijkheid dragen voor een groep, niet groter dan tien medewerkers. Als Coördinator van dienst politie geven appellanten weliswaar operationele sturing aan een grotere groep medewerkers - circa vijfendertig - maar voor die medewerkers dragen zij niet die verantwoordelijkheid die is bedoeld bij de niveaubepalende elementen van beide referentiefuncties. Ook als Coördinator incidentafhandeling hebben zij niet die verantwoordelijkheid voor een grotere groep.

4.5.

Appellanten hebben gewezen op een tweetal taken, die zwaarder zijn dan die in de referentiefunctie Groepschef B: zij maken beoordelingen op en geven als Coördinator van dienst politie operationeel leiding aan zo’n vijfendertig medewerkers. Nu het opmaken van beoordelingen niet in de beschrijvingen van de referentiefuncties noch in het samenstel van werkzaamheden is vermeld, kan dit geen reden zijn om te concluderen dat de functie van appellanten wel voldoet aan de referentiefunctie Groepschef B. En de operationele aansturing als Coördinator van dienst politie is, zoals hiervoor overwogen, niet vergelijkbaar met de verantwoordelijkheid als leidinggevende zoals bedoeld bij het niveaubepalende element verantwoordelijkheid van de referentiefunctie Groepschef B.

4.6.

De conclusie is dat de functie van appellanten, zoals omschreven in het samenstel van werkzaamheden, wat betreft het niveaubepalende element verantwoordelijkheid niet voldoet aan de referentiefunctie Groepschef B. Daarmee is de waardering van hun functie op het niveau van de referentiefunctie Groepschef A geenszins onhoudbaar. Uit deze conclusie volgt ook dat de korpschef, anders dan appellanten hebben betoogd, mocht afwijken van het advies van de CABF en dat ook afdoende gemotiveerd heeft gedaan.

4.7.

Uit de overwegingen hiervoor volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en M. Kraefft en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD