Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:482

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
12/5893 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Militair invaliditeitspensioen ten onrechte geweigerd. De door de Raad benoemde deskundige is tot de conclusie gekomen dat bij appellant sprake is van een posttraumatische stressstoornis, waarvan de oorzaken gelegen zijn in de uitzendingsperiode in Joegoslavië. De mate van invaliditeit ten gevolge van de causale psychische klachten wordt vastgesteld op 28 %. De Raad voorziet zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5893 MPW

Datum uitspraak: 11 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 september 2012, 11/9212 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.B. Knook hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft aanleiding gezien drs. H.S.R. Witte, psychiater, te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Drs. Witte heeft appellant onderzocht en op

16 december 2014 rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop hun zienswijze gegeven.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is als militair van 22 februari 1994 tot 22 juli 1994 uitgezonden geweest naar het toenmalige Joegoslavië. Bij ongedateerde brief, ingekomen op 5 februari 2009, heeft hij de minister verzocht om een militair invaliditeitspensioen. Naar aanleiding van dit verzoek is appellant onderworpen aan een militair geneeskundig onderzoek (MGO) waarvan op 19 mei 2009 rapport is uitgebracht. Dat rapport is in hoofdzaak gebaseerd op de resultaten van het onderzoek dat de verzekeringsarts M. Levy bij appellant heeft verricht. In dat rapport wordt geconcludeerd, anders dan de psychiater P.J.H. Notten na onderzoek van appellant heeft gediagnosticeerd, dat voor de bij appellant aanwezige psychische klachten geen dienstverband kan worden aanvaard.

1.2.

Bij besluit van 25 mei 2009 heeft de minister appellant niet in aanmerking gebracht voor toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar, waarbij een rapportage is overgelegd van de door appellant ingeschakelde psychiater

dr. R.V. Schwarz, is door de minister bij besluit 26 oktober 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De minister heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat voor de bij appellant aanwezige aandoening geen dienstverband kan worden aanvaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

De door de Raad benoemde deskundige drs. Witte is tot de conclusie gekomen dat bij appellant sprake is van een posttraumatische stressstoornis, ernstig van aard, zonder persoonlijkheidsstoornis, met alcoholmisbruik (als een vorm van automedicatie) om de nacht in te kunnen, waarvan de oorzaken gelegen zijn in de uitzendingsperiode in Joegoslavië.

3.2.

Beide partijen hebben het rapport van drs. Witte als juist aanvaard. De Raad sluit zich hierbij aan. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Het aan het MGO ten grondslag gelegde rapport van Levy is daarmee weerlegd.

3.3.

Partijen verschillen nog van mening over de mate van invaliditeit ten gevolge van de causale psychische klachten. De minister is in navolging van zijn verzekeringsarts

P.G. Verkerk - uiteindelijk - van mening dat appellant te rekenen vanaf 5 februari 2008 aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van invaliditeit van 27,08 % (afgerond 28 %). De Raad sluit zich hierbij aan. Verkerk heeft gemotiveerd uiteengezet dat aan de beperkingen in de subrubrieken 8 en 9 van de bij het PTSS-protocol behorende scorelijst maximaal een klasse 1 score kan worden toegekend. Zo blijkt uit de medische gegevens niet van substantiële beperkingen in deze subrubrieken en is er door de spanningsgerelateerde beperkingen een zekere overlap met de overige subrubrieken. Voor een indeling in klasse 2 vindt de Raad dan ook geen steun in de aanwezige medische gegevens.

3.4.

De Raad concludeert dat het hoger beroep slaagt. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking evenals de aangevallen uitspraak waarbij het besluit in stand is gelaten. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door vast te stellen dat appellant te rekenen vanaf 5 februari 2008 aanspraak heeft op een militair invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van invaliditeit van (afgerond) 28 %.

4. De Raad acht termen aanwezig om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,- in bezwaar, € 992,- in beroep en € 744,- in hoger beroep, alles wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, alsmede € 664,20,- voor het deskundigenrapport van de psychiater dr. Schwarz, derhalve in totaal € 3.392,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 oktober 2011;

- herroept het besluit van 25 mei 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.392,20.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.W.J. Hospel

HD