Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
14/5709 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering naar een thuiswonende studerende. Boete. Onbevoegde controleur. Payrollconstructie. Onrechtmatig onderzoek. Ontoelaatbaar bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5709 WSF

Datum uitspraak: 14 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2014, 14/437 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Ter zitting zijn op verzoek van appellante als getuige gehoord [zus] , zus van appellante, [schoonzus] , schoonzus van appellante en, [vriendin] , vriendin van appellante, allen wonend te [gemeente] .

Het onderzoek is heropend.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 3 november 2016. Appellante is verschenen.

De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 15 juni 2013 heeft de minister de aan appellante op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekende studiefinanciering herzien in die zin dat appellante vanaf 1 mei 2012 is aangemerkt als thuiswonende studerende. Bij besluit van
18 juli 2013 heeft de minister een bestuurlijke boete aan appellante opgelegd. Bij besluit van 9 december 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De minister heeft de bij het bestreden besluit gehandhaafde herziening en boeteoplegging gebaseerd op de resultaten van een onderzoek naar de woonsituatie van appellante. Dit onderzoek is verricht door twee controleurs in opdracht van een privaat bedrijf waarvan de daar werkzame personen ingevolge een door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgevaardigd aanwijzingsbesluit van 19 april 2012
(m. HD&S/399254, Stcrt. 2012, 8364) belast zijn met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Ter zitting van de Raad van 20 juli 2016 heeft de minister desgevraagd verklaard dat één van deze twee controleurs niet op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van het desbetreffende private bedrijf, maar via een payrollconstructie voor dat bedrijf werkzaamheden verricht.

4.2.1.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan.

4.2.2.

In zijn uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3566, heeft de Raad overwogen dat met de aanwijzing van werknemers van private bedrijven bij het uitoefenen van dat toezicht de grens van wat nog aanvaardbaar is, is bereikt. Niet kan worden aanvaard dat private bedrijven dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) uitbesteden aan een derde. Dit oordeel is herhaald en nader gemotiveerd in de uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186. Uit deze uitspraken volgt dat bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur – zijnde een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij een eerder bedoeld privaat bedrijf werkzaam is, maar voor dat bedrijf op andere basis, bijvoorbeeld via een uitzend-, detacherings- of payrolconstructie, werkzaamheden verricht – als bewijs ontoelaatbaar zijn.

4.3.

Nu het onderzoek in deze zaak – mede – is verricht door een onbevoegde controleur, zijn de bevindingen van dat onderzoek onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar.

4.4.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woont op het adres waaronder zij staat ingeschreven in de basisregistratie personen, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

5. Nu de rechtbank het motiveringsgebrek niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb de besluiten van 15 juni 2013 en 18 juli 2013 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

6. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 28,32 voor reiskosten in beroep, in totaal € 1.020,32.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 9 december 2013;

  • -

    herroept de besluiten van 15 juni 2013 en 18 juli 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 9 december 2013;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.020,32;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en
I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) N. van Rooijen

SS