Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
16/430 PW-W
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/430 PW-W, 16/525 PW-W

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoeker] en [verzoeker] te [woonplaats] (verzoekers)

PROCESVERLOOP

Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2015, nr. 15/6797 en 15/6798, in een geding tussen verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van Westland (college).

Op 25 oktober 2016 heeft de griffier aan verzoekers meegedeeld dat het hoger beroep op

15 november 2016 ter zitting wordt behandeld door een meervoudige kamer, bestaande uit de rechters A. Stehouwer, G.M.G. Hink en J.L. Boxum.

Verzoekers hebben in een brief van 26 oktober 2016 onder meer gevraagd om een andere samenstelling van de meervoudige kamer die het hoger beroep behandelt. De griffer heeft in een brief van 1 november 2016 aan verzoekers meegedeeld geen aanleiding te zien aan dat verzoek te voldoen.

In een brief van 7 november 2016 hebben verzoekers een tegen G.M.G. Hink en J.L. Boxum (de gewraakte rechters) gericht wrakingsverzoek ingediend.

De gewraakte rechters hebben schriftelijk meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Verzoekers en de gewraakte rechters zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 29 november 2016. Verzoekers zijn verschenen. De gewraakte rechters zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

In hun wrakingsverzoek hebben verzoekers ook de naam van R.H.M. Roelofs vermeld. Deze rechter is echter niet belast met de behandeling van het hoger beroep van verzoekers tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2015, zodat het verzoek in zoverre niet in behandeling wordt genomen.

1.2.

Verzoekers hebben ter zitting uitgelegd dat hun verzoek om wraking met betrekking tot J.L. Boxum wordt ingetrokken, zodat alleen het verzoek om wraking van G.M.G. Hink (Hink) resteert.

2. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de reden van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

3. Verzoekers hebben aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr.Hink deel heeft uitgemaakt van de meervoudige kamer van de Raad die bij uitspraak van 5 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1222) het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2137) heeft afgewezen. Tijdens de behandeling ter zitting van het herzieningsverzoek hebben verzoekers de indruk gekregen dat mr. Hink niet bereid was naar hun verhaal te luisteren. Hink gaf namelijk al bij de aanvang van die zitting te kennen dat zij alles van verzoekster wist. Verder mocht verzoekster niet voldoende haar verhaal doen. Verzoekers hebben in de zomer van 2016 een klacht ingediend bij de president van de Raad in verband met het (nalatig) handelen van onder meer Hink. Verzoekers hebben uitgelegd bezorgd te zijn dat Hink het onplezierig vindt dat verzoekers tegen haar een klacht hebben ingediend en dat dit haar oordeelsvorming beïnvloedt. Samenvattend vinden verzoekers het niet correct dat het hoger beroep wordt behandeld door een rechter tegen wie een klachtprocedure aanhangig is en van wie verzoekers bovendien vinden dat zij jegens hen bevooroordeeld en niet onafhankelijk is.

4.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).

4.2.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de onpartijdigheid van een rechter niet al te lijden heeft, alleen door de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin een verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld (CRvB 18 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8693, en CRvB 4 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3815). De door verzoekers aangevoerde grond dat mr. Hink deel heeft uitgemaakt van de meervoudige kamer die het verzoek om herziening van de uitspraak van 22 oktober 2013 heeft afgewezen, slaagt dan ook niet.

4.3.

Uit artikel 8:16, eerste lid, van de Awb volgt dat het verzoek om wraking moet worden ingediend zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding zijn voor het wrakingsverzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. De gestelde bejegening van verzoekster door Hink tijdens de behandeling ter zitting van het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2013 heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Gelet op artikel 8:16, eerste lid, van de Awb zal die grond buiten bespreking worden gelaten.

4.4.

De president van de Raad heeft in zijn brieven van 14 juli 2016 en 14 september 2016 aan verzoekers meegedeeld dat hun klacht niet in behandeling kan worden genomen. Van een ten aanzien van Hink aanhangige klachtprocedure is dan ook geen sprake. Al om die reden slaagt ook deze grond niet. Het enkele feit dat verzoekers een klacht hebben ingediend, vormt onvoldoende reden om de bij verzoekers bestaande vrees voor vooringenomenheid of partijdigheid van Hink objectief gerechtvaardigd te achten.

4.5.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) N. van Rooijen

CVG