Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
16/953 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand. Kosten teveel ontvangen huurtoeslag terecht aangemerkt als schuld. Art. 13 lid 1 aanhef en onder g, WWB. Art. 35 WWB niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/953 WWB

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

2 februari 2016, 15/2289 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Voor appellant is

mr. Balkema verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F. de Gama.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot 29 augustus 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Sinds 29 augustus 2013 ontvangt appellant bijstand ingevolge de WWB (thans: Participatiewet, PW) naar de norm voor een alleenstaande. Bij beschikking van 12 september 2014 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag van appellant over 2013 definitief vastgesteld. Daarbij heeft de Belastingdienst bepaald dat appellant een bedrag van € 722,- te veel aan voorschot op de huurtoeslag heeft ontvangen. Appellant heeft op 30 september 2014 bijzondere bijstand aangevraagd voor deze kosten.

1.2.

Bij besluit van 27 november 2014 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 13 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW in beginsel aan bijstandverlening voor schulden in de weg staat en dat zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 49 van de PW op grond waarvan van deze hoofdregel zou moeten worden afgeweken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een schuldenlast als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB. Voor de beoordeling van de vraag of en in hoeverre sprake is van een aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden is naar vaste rechtspraak zowel bepalend de strekking van de aanvraag, zoals die moet worden afgeleid uit de stukken die aan het primaire besluit ten grondslag liggen, alsook de feitelijke situatie ten tijde van de aanvraag. Van een schuld is sprake indien de kosten voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening zijn gebracht, maar nog niet zijn voldaan. Nu de Belastingdienst de kosten van de te veel ontvangen huurtoeslag door middel van een beschikking op 12 september 2014 bij appellant in rekening heeft gebracht, appellant de aanvraag om bijzondere bijstand op 30 september 2014 bij het college heeft ingediend en hij de kosten ten tijde van de aanvraag kennelijk nog niet had voldaan, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een schuld. Voorts is geen sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat geen sprake is van een schuld. Voorts is de door het college gehanteerde afwijzingsgrond onjuist en had het college in plaats daarvan artikel 35, eerste lid, van de PW moeten toepassen. De aanvraag moet worden toegewezen omdat deze, overeenkomstig het op artikel 35 van de PW gebaseerde beleid van het college, binnen drie maanden nadat de kosten zijn opgekomen, en dus tijdig, is ingediend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de WWB ingetrokken en vervangen door de PW. Op grond van het in artikel 78z, derde lid, van de PW opgenomen overgangsrecht is in dit geval de WWB het toetsingskader, omdat het bestuursorgaan vóór 1 januari 2015 heeft beslist op een vóór die datum ingediende aanvraag om bijstand. Dit betekent dat het college de onderhavige aanvraag ten onrechte heeft beoordeeld aan de hand van toepasselijke bepalingen van de PW. Geen aanleiding bestaat om hier gevolgen aan te verbinden. Daarbij is van belang dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, en artikel 49 van de PW wat de tekst betreft gelijkluidend zijn aan artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, en artikel 49 van de WWB.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De beroepsgrond dat de door het college gehanteerde juridische grondslag onjuist is, slaagt niet. Gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB en de systematiek van de WWB, wordt in geval van een schuld niet toegekomen aan de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het college heeft dan ook terecht artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Hierin ligt tevens besloten dat de beroepsgrond dat de aanvraag had moeten worden toegewezen omdat deze, overeenkomstig het op artikel 35 van de PW [lees: WWB] gebaseerde beleid binnen drie maanden nadat de kosten zijn opgekomen en dus tijdig is ingediend, niet slaagt. Deze grond gaat, wat hiervan verder ook zij, voorbij aan het feit dat het college aan het bestreden besluit (terecht) artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB ten grondslag heeft gelegd en dat het op artikel 35 van de WWB gebaseerde beleid al om die reden niet van toepassing is.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) L.V. van Donk

HD