Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4802

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
16/541 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:9260, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Wonen op verschillende adressen. Voldoende grondslag dat betrokkene in periode 1 op adres X woonde en onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene in periode 2 op adres Y woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/541 WWB

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

16 december 2015, 15/1933 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.J.M. Hamers, advocaat. hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hamers. Voorts is verschenen de door appellant meegebrachte tolk, K.J.A. Kleymans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft tot 8 maart 2014 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Op 7 maart 2014 heeft appellant zich gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen en op 9 maart 2014 heeft hij de aanvraag ingediend. Appellant staat in de Basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het adres

[adres 1] (adres 1). Appellant heeft bij de aanvraag opgegeven te wonen op dat adres.

1.2.

Het college heeft appellant bij brief van 12 maart 2014 verzocht om nadere gegevens in te leveren, waaronder een geldige verblijfsvergunning, bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen en gegevens betreffende de woonlasten. Bij brief van 22 april 2014 heeft appellant aan het college gemeld dat hij feitelijk op het adres [adres 2] (adres 2) woont en niet op adres 1 en dat deze situatie voortkomt uit een probleem dat hij heeft met [naam BV] BV.

1.3.

Vervolgens heeft het college bij brief van 15 mei 2014 appellant (wederom) verzocht om een geldige verblijfsvergunning, een huurovereenkomst van de woning aan adres 2, een bewijs van inschrijving in de brp op dat adres en bankafschriften van zijn spaarrekening. Op 28 mei 2014 heeft appellant onder meer een “bevestiging adreswijziging’ overgelegd, waaruit blijkt dat appellant met ingang van 1 mei 2014 in de brp staat ingeschreven op het adres [adres 3] (adres 3).

1.4.

Bij besluit van 17 juli 2014 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant, door geen geldige verblijfsvergunning noch bankafschriften van zijn spaarrekening over te leggen, niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan waardoor het recht bij op bijstand niet is vast te stellen.

1.5.

Bij besluit van 13 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 17 juli 2014 ongegrond verklaard. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant in de bezwaarprocedure alsnog de verblijfsvergunning en de bankafschriften heeft ingeleverd, maar dat zijn woonsituatie onduidelijk is zodat niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de woonsituatie van appellant in de periode van 7 maart 2014 tot en met 17 juli 2014 onduidelijk is en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant zijn stelling dat hij tot 1 mei 2014, ondanks zijn brp-inschrijving op adres 1, feitelijk op adres 2 woonde, niet heeft onderbouwd. De brief van 22 april 2014 biedt hiervoor onvoldoende bewijs. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat hij per 1 mei 2014 feitelijk woonde op adres 3.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft gesteld dat het recht op bijstand wel is vast te stellen. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij feitelijk woonachtig was op adres 2, dat hij per 1 mei 2014 is verhuisd naar adres 3 en vanaf dat moment weer feitelijk inwoonde bij zijn voormalige partner.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt in dit geval van

8 maart 2014 (datum einde werkloosheidsuitkering) tot en met 17 juli 2014 (de datum van het besluit tot afwijzing van de aanvraag).

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aanvrager is verplicht juiste en volledige inlichtingen te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie aangezien deze gegevens van essentieel belang zijn voor de verlening van bijstand.

Periode van 8 maart 2014 tot en met 30 april 2014

4.3.

Niet in geschil is dat appellant in de periode van 8 maart 2014 tot 1 mei 2014 niet woonachtig was op het door hem opgegeven brp-adres, zijnde adres 1. Het lag derhalve in beginsel op de weg van appellant om aannemelijk te maken waar hij in deze periode feitelijk woonachtig was. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is appellant in deze bewijslast geslaagd. Van belang daarbij is dat uit de door appellant, in het kader van de aanvraag, overgelegde stukken blijkt dat appellant feitelijk verbleef en derhalve woonachtig was op adres 2. Zo blijkt uit de bankafschriften dat hij op 16 januari 2014 een bedrag van € 350,- heeft overgemaakt aan [naam BV] BV onder vermelding van ‘huur januari [adres 2]”, welk bedrag hij in februari en maart 2014 eveneens aan [naam BV]

BV heeft overgemaakt, in maart ook onder de vermelding ‘huur maart [adres 2]’. Ook in april 2014 heeft hij nog een bedrag naar [naam BV] BV overgemaakt. Uit de brief van [naam BV] BV van 10 maart 2014 blijkt dat bij appellant in de hoedanigheid van huurder een bedrag aan afvalstoffenheffing voor de woning aan adres 2 in rekening is gebracht. Appellant werd door [naam BV] BV aangeschreven op adres 2 en ook de hiervoor bedoelde bankafschriften ontving hij op adres 2. Bovendien is in het ambtelijk rapport van 15 mei 2014 eveneens onderkend dat appellant feitelijk op adres 2 verbleef op grond waarvan appellant is verzocht een bewijs van brp-inschrijving op dat adres in te dienen. Deze stukken bieden derhalve voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant in deze periode feitelijk woonde op het (door hem bij brief van 22 april 2014 opgegeven) woonadres 2.

Periode van 1 mei 2014 tot en met 17 juli 2014

4.4.

Niet in geschil is dat appellant in de periode van 1 mei 2014 tot en met 17 juli 2014 volgens de brp ingeschreven stond op adres 3. Appellant heeft evenwel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in die periode ook feitelijk op dat adres heeft gewoond. Daarbij is allereerst van belang dat uit 4.3 volgt dat appellant feitelijk woonachtig was op adres 2. Appellant heeft gesteld en ter zitting van de Raad bevestigd dat hij zich niet op dat adres kon inschrijven in de brp. Appellant heeft zich weliswaar per 1 mei 2014 in de brp ingeschreven op adres 3, het adres van zijn voormalige partner, en bij het college een bewijs van inschrijving ingediend, doch heeft bij de indiening daarvan niet vermeld dat hij per die datum ook daadwerkelijk is verhuisd naar adres 3. Daarbij komt dat appellant ter zitting heeft verklaard dat zijn huurovereenkomst van adres 2 liep tot 1 november 2014 en dat hij de huur ook tot 1 november 2014 heeft betaald. Anders dan onder 4.3 heeft appellant niet met bewijsstukken aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 1 mei 2014 tot en met 17 juli 2014 feitelijk woonachtig was op adres 3. Hieraan kan niet afdoen dat appellant in het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand per meldingsdatum 25 augustus 2014 adres 3 als zijn woonadres had opgegeven en zijn voormalige partner had verklaard dat appellant bij haar inwoonde. Dit heeft geen betrekking op de hier te beoordelen periode.

4.5.

Uit 4.3 volgt dat de afwijzing van de bijstand over de periode van 8 maart 2014 tot 1 mei 2014 niet op een deugdelijke motivering berust en derhalve niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit gedeeltelijk, voor zover het betreft de afwijzing van bijstand over de periode van 8 maart 2014 tot 1 mei 2014, vernietigen. Aanleiding wordt gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 17 juli 2014 in zoverre te herroepen, en te bepalen dat aan appellant over de periode van 8 maart 2014 tot 1 mei 2014 bijstand wordt toegekend naar de voor hem toepasselijke norm.

5. Voorts bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in bezwaar, € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 13 februari 2015, voor zover het betreft de afwijzing van bijstand

over de periode van 8 maart 2014 tot 1 mei 2014;

- herroept het besluit van 17 juli 2014 in zoverre en bepaalt dat appellant over de periode van

8 maart 2014 tot 1 mei 2014 recht heeft op bijstand naar de voor hem toepasselijke norm en

dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit

van 13 februari 2015;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 2.976,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C. Moustaïne

HD