Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
16/1974 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen herhaalde aanvraag bijzondere bijstand uitvaartkosten. Beroep op 8 EVRM family life slaagt niet. Onvoldoende onderbouwd waaruit schending 8 EVRM uit bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/32
ERF-Updates.nl 2017-0001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1974 PW

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

17 februari 2016, 15/3766 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2016. Voor appellante is

mr. Bhadai verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Yaman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 29 december 2014 is [H.] (H) overleden. H heeft appellante niet erkend als zijn dochter. Appellante heeft op 5 januari 2015 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor zijn uitvaartkosten ingediend. Bij besluit van

15 januari 2015 (besluit 1) heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de uitvaartkosten niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten voor appellante.

1.2.

Op 21 januari 2015 heeft appellante opnieuw bijzondere bijstand voor deze uitvaartkosten aangevraagd. Bij besluit van 27 januari 2015 (besluit 2) heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd.

1.3.

Bij besluit van 7 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat niet in geschil is dat H appellante niet heeft erkend en dat zij niet tot hem in familierechtelijke betrekking stond in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW) zodat appellante op grond van het BW geen erfgenaam is van H. Het beroep op “family life” als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt evenmin. Het moge zo zijn dat biologische verwantschap van belang is bij de vraag of sprake is van “family life”, zoals appellante naar voren heeft gebracht, maar hieruit volgt niet dat reeds door die biologische verwantschap ook sprake is van een familierechtelijke betrekking en van het zijn van erfgenaam in de zin van het BW. Voorts heeft appellante niet toegelicht hoe de afwijzing van de onderhavige bijstandsaanvraag in strijd kan komen met enige positieve verplichting van het college in het kader van “family life”.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat sprake was van “family life” als bedoeld in artikel 8 EVRM op grond waarvan zij moet worden aangemerkt als erfgenaam.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) L.V. van Donk

HD