Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4787

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
15/904 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8740, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Schending inlichtingenverplichting t.a.v. voorzitter stichting. Verklaringen niet gevolgd. Vermogen stichting is vermogen appellant. Geen geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/904 WWB

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2014, 13/6259 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. El-Bellaj, juridisch medewerker, werkzaam bij kantoor van mr. Govers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Kuipers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 22 september 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de casemanager dat appellant bestuurder is van de Stichting [naam stichting] (stichting) heeft de sociale recherche van de gemeente Tilburg, Team Handhaving Sociale Zekerheid (sociale recherche), een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, registraties, waaronder het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) geraadpleegd, appellant verzocht om bewijsstukken en de door appellant verstrekte bankafschriften onderzocht. Uit dit onderzoek is onder meer gebleken dat appellant sinds 11 juni 2012 voorzitter is van de stichting en alleen/zelfstandig bevoegd is. Daarnaast blijkt uit het jaarverslag van de stichting over 2012 dat het vermogen van de stichting € 66.745,- bedroeg. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 2 juli 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 2 juli 2013 (besluit 1) de bijstand van appellant vanaf 22 september 2012 in te trekken. Bij besluit van 8 juli 2013 (besluit 2) heeft het college de over de periode van 22 september 2012 tot en met 12 juni 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.329,48 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet uit eigen beweging te melden dat hij voorzitter/beheerder is van de stichting, waardoor het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 13 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen besluit 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, omdat het college met het verweerschrift in beroep de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd in die zin dat appellant kan beschikken over het vermogen van de stichting en om die reden niet in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. De rechtbank heeft overwogen dat het vermogen van de stichting in 2012 en 2013 boven de vermogensgrens lag.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat het vermogen niet kan worden gerekend tot de middelen waarover hij beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Hij voert daartoe aan dat geen sprake is van verstrengeling tussen hem en de stichting. Weliswaar stond appellant als enig bestuurder ingeschreven in de KvK, maar dat houdt niet in dat er niet meer bestuurders waren. Uit de statuten blijkt dat het bestuur van de stichting uit minstens twee personen moet bestaan. Daarnaast wordt het financiële gedeelte van de stichting door anderen gedaan en worden vermogensrechtelijke beslissingen door het gehele bestuur genomen. Daarbij was het college al vanaf oktober 2012 op de hoogte van de activiteiten van appellant voor de stichting.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 22 september 2012 tot en met 2 juli 2013.

4.2.

De onderzoeksgegevens bieden, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake was van zodanige verstrengeling van de stichting en de persoon van appellant, dat het vermogen van de stichting moet worden aangemerkt als vermogen waarover appellant beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellant in de te beoordelen periode als enig bestuurslid van de stichting stond ingeschreven in de KvK en alleen en zelfstandig bevoegd was om de stichting te vertegenwoordigen. Bovendien heeft appellant tijdens de hoorzitting in bezwaar gezegd dat hij het enige bestuurslid is, hij alles regelt en dat hij als enige beschikt over de rekeningen. Weliswaar is in de statuten van de stichting bepaald dat het bestuur uit minstens twee personen moet bestaan, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bestuur in de te beoordelen periode aan die statutaire bepaling voldeed. Ter onderbouwing van de stelling dat het financiële gedeelte van de stichting door anderen werd gedaan, heeft appellant geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd. Appellant heeft evenmin anderszins aannemelijk gemaakt dat hij niet redelijkerwijs kon beschikken over het vermogen van de stichting.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep een aantal getuigenverklaringen overgelegd. Deze verklaringen zijn achteraf opgesteld en vinden geen steun in objectieve en verifieerbare gegevens. Aan deze verklaringen komt dan ook niet de waarde toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het college het vermogen van de stichting terecht heeft aangemerkt als het vermogen van appellant. Het college heeft bij de bepaling van de hoogte van het vermogen uit mogen gaan van het jaarverslag van de stichting over het jaar 2012. Daarnaast blijkt uit het kasboek van de stichting over het jaar 2013 dat het vermogen van de stichting in 2013 ook de vermogensgrens te boven ging. Dat betekent dat het college op goede gronden heeft aangenomen dat appellant in de te beoordelen periode beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen dat de voor hem toepasselijke vermogensgrens te boven ging en daarmee niet in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.5.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellant heeft aangevoerd dat het college op de hoogte was van zijn activiteiten voor de stichting. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Voor een dergelijke toezegging is in het dossier geen steun te vinden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college heeft toegezegd dat hij onder bovengenoemde omstandigheden zonder gevolgen voor zijn recht op bijstand activiteiten voor de stichting mag verrichten. Daarnaast heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het college op de hoogte was van de mate van verstrengeling van de stichting en de persoon van appellant en de hoogte van het vermogen van de stichting als weergegeven in 1.2. Het beroep op het vertrouwensbeginsel treft derhalve geen doel.

4.6.

Appellant heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de terugvordering, zodat die verder geen bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.L. Boxum en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD