Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
15/2959 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. Inkomsten uit hennepkwekerij. Terugvordering. Uitgaande van de eigen verklaring van appellant tegenover de politie heeft appellant een zodanig inkomen uit arbeid gehad dat de WAO-uitkering op nihil moet worden gesteld. Overtuigend aangetoond dat de schending van de inlichtingenverplichting tot benadeling van het Uwv heeft geleid. Geen grond voor matiging van de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2959 WAO

Datum uitspraak: 14 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2015, 14/1716 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van den Beldt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Beldt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 2 augustus 1988 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op 5 oktober 2009 is tijdens een onderzoek door de regiopolitie Kennemerland (politie) op het woonadres van appellant een hennepkwekerij aangetroffen. In verband hiermee is appellant op dezelfde dag door de politie verhoord. Blijkens het proces-verbaal van dit verhoor heeft appellant verklaard dat hij eigenaar is van de hennepplantage, dat hij dat samen doet met iemand anders en dat hij een gedeelte van de opbrengst heeft ontvangen. Volgens appellant bestond de hennepplantage ten tijde van het verhoor drie maanden, is er driemaal geoogst, bedroeg de totale opbrengst tussen de € 15.000,- en € 18.000,- en heeft appellant zelf rond de € 10.000,- ontvangen.

1.2.

Uit het naar aanleiding van de aangetroffen hennepkwekerij door de politie opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (rapport BWVV) blijkt dat door de politie wordt uitgegaan van vier gerealiseerde oogsten en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald op € 88.297,68.

1.3.

Blijkens een extract vonnis van de politierechter van de rechtbank Haarlem van

21 oktober 2010 is appellant veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uur subsidiair 25 dagen hechtenis voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep in de periode van 1 juli 2009 tot en met 5 oktober 2009. De politierechter heeft de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.

1.4.

Het Uwv heeft onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport van 26 november 2013.

1.5.

Bij besluit van 11 december 2013 heeft het Uwv wegens in de periode van

1 december 2008 tot en met 4 oktober 2009 ontvangen inkomsten uit hennepteelt de

WAO-uitkering van appellant met toepassing van artikel 44 van de WAO op nihil gesteld. Het Uwv heeft tevens over deze periode een bedrag van € 23.777,07 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 15 januari 2014 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 2.269,- omdat hij niet heeft doorgegeven dat hij in de periode van 1 december 2008 tot en met

4 oktober 2009 inkomsten uit hennepteelt heeft gehad.

1.7.

Bij besluit van 2 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 11 december 2013 en 15 januari 2014 ongegrond verklaard.

1.8.

Tijdens de procedure in beroep heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd. Bij besluit van

17 oktober 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 11 december 2013 en 15 januari 2014 alsnog gegrond verklaard en besloten dat, nu het rapport BWVV als onderzoeksperiode vermeldt 10 juli 2009 tot 5 oktober 2009 en appellant zelf heeft verklaard dat de kwekerij circa drie maanden in bedrijf is geweest, de inkomsten uit hennepteelt slechts kunnen worden toegerekend aan de periode 1 juli 2009 tot en met 4 oktober 2009. Het Uwv heeft, gelet op de hoogte van de inkomsten uit de hennepkwekerij, de WAO-uitkering over deze periode op nihil gesteld en een bedrag van

€ 7.342,36 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd. Het Uwv heeft de boete wegens schending van de inlichtingenverplichting verlaagd naar € 740,-. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van appellant mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Tevens is een bepaling over de vergoeding van proceskosten gegeven. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van het onderzoek van het Uwv voldoende aannemelijk is geworden dat de hennepkwekerij in de woning van appellant in bedrijf is geweest van juli 2009 tot 5 oktober 2009 en dat het Uwv bij de vaststelling van die periode en bij de berekening van de hoogte van de daaruit genoten inkomsten mocht uitgaan van de gegevens uit het rapport BWVV. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant geen overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en in het geheel geen inkomsten in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. De omstandigheid dat de politierechter appellant enkel een straf heeft opgelegd voor het aanwezig hebben van hennep en dat de ontnemingsvordering is afgewezen, heeft de rechtbank niet geleid tot een ander oordeel. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW8165). Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv er terecht van is uitgegaan dat appellant inkomsten heeft genoten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant nogmaals benadrukt dat hij door de strafrechter enkel is veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep en niet voor hennepteelt, hetgeen een wezenlijk verschil is voor de vraag of appellant inkomsten uit arbeid heeft genoten. Volgens appellant gaat de rechtbank ook ten onrechte voorbij aan het feit dat de ontnemingsvordering is afgewezen, aangezien voor de ontnemingsprocedure de strikte bewijsminima van het Wetboek van Strafvordering niet gelden en het nu juist de uitkomst van de ontnemingsprocedure is geweest dat niet aannemelijk is geworden dat appellant inkomsten uit hennepteelt heeft genoten, wat hetzelfde criterium is als in het bestuursrecht wordt gehanteerd. Verder heeft appellant aangevoerd dat het Uwv bij de vaststelling van de hoogte van de inkomsten ten onrechte is uitgegaan van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel van € 88.297,68 omdat dat bedrag ziet op een veel langere periode dan de periode waarover het Uwv de WAO-uitkering op nihil heeft gesteld. Ten slotte heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv noch de bestuursrechter gehouden zouden zijn de politierechter te volgen in zijn oordeel over de ontnemingsvordering.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De toepassing van artikel 44 van de WAO en de terugvordering

4.1.

Bestreden besluit 2 berust op het standpunt dat appellant in de periode van 1 juli 2009 tot en met 4 oktober 2009 inkomsten uit hennepteelt heeft genoten. Dit besluit is een voor appellant belastend besluit. Alvorens dat besluit wordt genomen dient het Uwv de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Het Uwv dient aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 44 van de WAO is voldaan.

4.2.

Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of appellant in de hier van belang zijnde periode inkomsten uit hennepteelt heeft genoten komt in beginsel een groot gewicht toe aan de processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Indien er op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant in de hier van belang zijnde periode inkomsten uit hennepteelt heeft gehad, dan ligt het op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.3.

Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat appellant in de periode van 1 juli 2009 tot en met 4 oktober 2009 inkomsten heeft gehad uit hennepteelt. Blijkens het door appellant ondertekende proces-verbaal van verhoor van 5 oktober 2009 heeft appellant erkend dat hij de eigenaar was van deze hennepkwekerij, dat deze kwekerij zo’n drie maanden in bedrijf was en dat hij een gedeelte van de opbrengst uit deze hennepkwekerij heeft ontvangen. Volgens appellant bedroegen zijn inkomsten ongeveer € 10.000,-.

4.4.

Het gegeven dat appellant door de politierechter alleen is veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen wordt in een strafrechtelijke procedure aan de rechter niet alleen een andere vraag ter beantwoording voorgelegd, maar bestaat er ook een aanmerkelijk verschil tussen de vereisten waaraan het bewijs in strafzaken moet voldoen en de vereisten voor het bewijs in bestuursrechtelijke beroepsprocedures (zie onder meer de uitspraak van de Raad van

13 juni 2012, ECLI:NL:CRVB: 2012:BW8165). De bestuursrechter toetst een en ander zelfstandig en is niet gebonden aan het oordeel van de politierechter.

4.5.

In het midden zal worden gelaten of het Uwv het bestaan en de hoogte van de inkomsten uit de hennepkwekerij heeft mogen baseren op de gegevens uit het rapport BWVV nu de politierechter de ontnemingsvordering heeft afgewezen. Uitgaande van de eigen verklaring van appellant tegenover de politie van 5 oktober 2009 heeft appellant in de periode van

1 juli 2009 tot en met 4 oktober 2009 een zodanig inkomen uit arbeid gehad dat de

WAO-uitkering over die periode op nihil moet worden gesteld.

4.6.

Appellant heeft ook in hoger beroep geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij de hennepkwekerij niet (mede) heeft geëxploiteerd en geen inkomsten uit deze hennepkwekerij heeft ontvangen.

4.7.

Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over de periode van 1 juli 2009 tot en met

4 oktober 2009 heeft vastgesteld op minder dan 15%, waardoor zijn WAO-uitkering over die periode niet tot uitbetaling kon komen, is juist. Het Uwv heeft de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over die periode terecht teruggevorderd. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen dringende reden gezien om van terugvordering af te zien. Het beroep tegen bestreden besluit 2, voor zover dat betrekking heeft op de korting van inkomsten uit arbeid en de terugvordering, is terecht ongegrond verklaard.

De boete

4.8.

Artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bevat de waarborg dat een ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld – een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging – voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Deze waarborg brengt mee dat het Uwv feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet aantonen, dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting onverschuldigd uitkering is betaald. In geval van twijfel dient aan de uitkeringsontvanger het voordeel van de twijfel te worden gegund (vgl. overweging 4.8.3 in ECLI:NL:HR:2011:BN6324, overweging 3.2 in ECLI:NL:RVS:2014:3446 en overweging 4.2 in ECLI:NL:CRVB:2016:1429). De bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde is dus zwaarder dan die bij de toepassing van artikel 44 en 57 van de WAO.

4.9.

Op grond van de gedingstukken, met name de eigen verklaring van appellant van

5 oktober 2009, heeft het Uwv aangetoond dat appellant zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen door zijn werkzaamheden in verband met de hennepkwekerij niet onverwijld te melden aan het Uwv. Hiervan kan appellant niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt worden gemaakt. Op grond van de beschikbare gegevens is tevens aangetoond dat appellant in verband met de exploitatie van deze hennepkwekerij inkomsten heeft gehad hoger dan 20% van zijn maatmaninkomen en als gevolg daarvan over de periode van 1 juli 2009 tot en met 4 oktober 2009 te veel of ten onrechte WAO-uitkering heeft ontvangen. Het Uwv heeft er ter zitting terecht op gewezen dat appellant, anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 1 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2068), tegenover de politie heeft verklaard dat hij inkomsten heeft gehad uit zijn hennepkwekerij. Dit betekent dat, uitgaande van de in 4.8 weergegeven bewijsmaatstaf, overtuigend is aangetoond dat de schending van de inlichtingenverplichting tot benadeling van het Uwv heeft geleid.

4.10.

De appellant opgelegde boete van € 740,- is passend en geboden. In de omstandigheid dat appellant ter zake van het aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep in de periode van 1 juli 2009 tot en met 4 oktober 2009 door de politierechter is veroordeeld tot een werkstraf van 50 uur is geen grond gelegen voor matiging van de boete. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is, ook voor zover dat besluit betrekking heeft op de boete, terecht ongegrond verklaard.

4.11.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en B.M. van Dun en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.C. Borman

TM