Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
15/8472 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Schending inlichtingenplicht. Recht niet vast te stellen. Onduidelijke financiële situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8472 WWB

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

13 november 2015, 15/2219 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaard.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot en met 31 juli 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in de gemeente Zeist.

1.2.

Op 11 september 2014 heeft appellant bij het college een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de WWB.

1.3.

In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand heeft het college appellant verzocht om bankafschriften over te leggen. Op deze afschriften is te zien dat in september 2013 stortingen op eigen rekening hebben plaatsgevonden van in totaal € 785,-, dat appellant in oktober 2013 € 3.500,- van [naam S] (S) heeft ontvangen en dat appellant in december 2013 € 5.000,- aan S heeft overgemaakt. Daarnaast heeft het college appellant verzocht om informatie te verstrekken over de wijze waarop appellant tot dan toe in zijn levensonderhoud had voorzien. Appellant heeft hierop schriftelijk onder meer verklaard dat hij bij zijn broer (S) in [plaatsnaam] heeft gewoond, dat hij geen huur en vaste lasten hoefde te betalen en dat hij geld leende van zijn broer als hij ergens geld voor nodig had.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 maart 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij in de periode vóór zijn aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat objectief en verifieerbaar bewijs van de door appellant gestelde geldleningen, ter verklaring van de onder 1.3 vermelde bedragen, ontbreekt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit de door appellant in beroep overgelegde stukken, betrekking hebbend op zijn woonsituatie, niet blijkt hoe hij in zijn levensonderhoud voorafgaand aan de aanvraag heeft voorzien. Anders dan appellant heeft betoogd, is zijn inkomens- en vermogenspositie in de periode vanaf juli 2013 van belang voor de vraag of appellant ten tijde van de aanvraag in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de stortingen dateren van ver voor de datum van de aanvraag en daarmee onvoldoende grondslag bieden om zijn aanvraag af te wijzen. Appellant heeft gesteld dat hij in zijn levensonderhoud kon voorzien door de ontvangen zorgtoeslag en de huurtoeslag omdat hij inwonend was bij S in [plaatsnaam] en geen vaste lasten hoefde te betalen. Hij kon dan ook volstaan met de geringe boodschappen waarvan de pinbetalingen blijk geven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat het in dit geding gaat om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat bij aanvragen om bijstand de bewijslast van bijstandsbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf rust. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de aanvrager recht op bijstand heeft.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant onvoldoende aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Dat de onder 1.3 vermelde ontvangsten en betaling in een beperkte periode van vier maanden en bijna één jaar vóór datum aanvraag hebben plaatsgevonden, laat onverlet dat ook in de periode daarna niet duidelijk is geworden op welke wijze appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De verklaring van S dat appellant bij hem inwoonde en geen huur of stroom betaalde, is daarvoor ontoereikend. Deze verklaring is niet concreet en verifieerbaar. Bovendien is niet duidelijk geworden hoe appellant heeft voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan buiten de kosten van huisvesting, zoals kosten van kleding, voeding, persoonlijke verzorging en telefonie. Uit de ingeleverde bankafschriften blijkt dat appellant vanaf april 2014 slechts zorgtoeslag heeft ontvangen, die hij moest aanwenden voor de kosten van de ziektekostenverzekering. Ook blijkt uit de bankafschriften slechts incidenteel van betaling van kleine bedragen, maar daaruit valt niet te herleiden hoe appellant in alle hiervoor bedoelde kosten heeft voorzien. Verder is gesteld noch gebleken dat appellant in verband met de voldoening van deze kosten schulden heeft opgebouwd.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant, door geen duidelijkheid over zijn inkomenssituatie in de periode voorafgaande aan zijn aanvraag te verschaffen, is tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Hierdoor is niet vast te stellen of appellant verkeerde in omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 van de WWB.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C. Moustaïne

HD