Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
15-12-2016
Zaaknummer
16/1207 AW-W
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1207 AW-W, 16/1208 AW-W

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen twee uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2016 (met registratienummers: 14/5941 en 15/4341) in gedingen tussen verzoeker en de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Rotterdam, Erasmus MC (raad van bestuur).

Bij brief van 18 augustus 2016 heeft de Raad verzoeker geïnformeerd dat zijn hoger beroep op 27 oktober 2016 ter zitting zal worden behandeld en is hij uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn.

De raad van bestuur heeft in een brief van 26 oktober 2016 verzocht een door verzoeker ingezonden stuk dat valt onder de geheimhoudingsverplichting van het mediationtraject uit het dossier te verwijderen. Verder heeft de raad van bestuur in die brief gesteld dat voor zover passages in de overige overgelegde stukken zien op de mediation en onder de geheimhoudingsplicht van de mediationovereenkomst vallen, deze in de procedure buiten beschouwing moeten worden gelaten. Bij aanvang van de zitting op 27 oktober 2016 heeft de behandelend kamer het verzoek in de brief van 26 oktober 2016 aan de orde gesteld.

Tijdens de zitting heeft verzoeker K.J. Kraan, J.J.T. van den Corput en J.F.C. Talman gewraakt.

De gewraakte rechters zijn in de gelegenheid gesteld op het verzoek om wraking te reageren. Zij hebben (gezamenlijk) van die gelegenheid gebruikt gemaakt in hun brief van 7 november 2016. Zij hebben daarbij meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Verzoeker en de gewraakte rechters zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 29 november 2016. Verzoeker en K.J. Kraan en J.J.T. van den Corput zijn ter zitting verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

2.1.

Het verzoek van 26 oktober 2016 van de raad van bestuur om een door verzoeker in het geding gebracht stuk uit het dossier te verwijderen, betreft een weergave van een gesprek dat tussen partijen onder leiding van de mediator heeft plaatsgevonden. Tevens heeft de raad van bestuur verzocht andere ingezonden stukken voor zover die betrekking hebben op de mediation tussen partijen en waarop de overeengekomen geheimhoudingsplicht van toepassing is, buiten beschouwing te laten. Daarbij heeft de raad van bestuur gewezen op de uitspraken van de Raad van 3 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC1670, en 15 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG7922.

2.2.

De voorzitter van de meervoudige kamer heeft na de opening van de zitting aan verzoeker meegedeeld dat de kamer het verzoek van de raad van bestuur om de stukken die betrekking hebben op de mediation buiten beschouwing te laten, voorafgaand aan de zitting heeft besproken. Verder heeft de voorzitter meegedeeld dat de kamer het verzoek wil toewijzen, omdat mediation buiten het bereik van de procedure bij de Raad valt en de kamer de resultaten van de mediation niet hoeft te zien.

3.1.

Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft pas na de zitting de brief van 26 oktober 2016 van de raad van bestuur ontvangen. Hij werd daarom door de mededeling van de kamer overvallen. Verzoeker had de tijd moeten krijgen om zijn reactie op het verzoek van de raad van bestuur voor te bereiden. De behandelend kamer heeft, door mee te delen dat zij het verzoek van 26 oktober 2016 wil toewijzen, voorbarig beslist. De beslissing is niet behoorlijk gemotiveerd. Verzoeker is ten onrechte niet voorafgaand aan het nemen van de beslissing op het verzoek gehoord. De stukken die de behandelend kamer buiten beschouwing wil laten, bevatten naar verzoekers overtuiging informatie aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat hij tijdens het mediationtraject is misleid. Verzoeker vindt het ten slotte niet begrijpelijk dat niet wordt kennis genomen van het door hem overgelegde stuk, terwijl wel wordt kennis genomen van de in mediation gesloten overeenkomst.

3.2.

In hun schriftelijke reactie op het verzoek om wraking hebben de gewraakte rechters naar voren gebracht dat zij de genomen beslissing beschouwen als een procesbeslissing, die ter zitting aan partijen is meegedeeld. Verder hebben de rechters toegelicht dat zij zich rechtens verplicht achtten het verzoek van de raad van bestuur toe te wijzen, omdat het ging om de geheimhouding van stukken die in het kader van de mediation tussen partijen waren gewisseld.

3.3.

Ter zitting heeft K.J. Kraan naar voren gebracht dat de gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient, dat het verzoek om wraking abrupt werd ingediend en dat er geen gelegenheid is geweest om de genomen beslissing met verzoeker te bespreken. Verder heeft K.J. Kraan benadrukt dat bij een nieuwe behandeling de zaken van verzoeker open en zonder vooringenomenheid zullen worden bekeken, ook voor wat betreft het verzoek van de raad van bestuur. De ter zitting meegedeelde beslissing op dat verzoek staat wat betreft de behandelend kamer in zoverre niet vast.

4.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).

4.2.

Het standpunt van de gewraakte rechters dat de beslissing om de stukken buiten beschouwing te laten is aan te merken als een procedurele beslissing wordt niet gevolgd. De beslissing is niet te beschouwen als uitoefening van de in de hoofdstukken 6 en 8 van de Awb opgenomen procesbevoegdheden en ook niet als toepassing van een in het ongeschreven procesrecht, in verband met beginselen van een goede procesorde, besloten bevoegdheid. De beslissing berust op een waardering van de uit de mediationovereenkomst voor partijen voortvloeiende verplichtingen. De beslissing heeft een inhoudelijk karakter en raakt de omvang van het geding.

4.3.

Naar het oordeel van de wrakingskamer behoort een inhoudelijke beslissing op een verzoek zoals dat in de voorliggende zaak bij de behandelend kamer aan de orde was, te worden voorafgegaan door een open bespreking van dat verzoek met de bij die zaak betrokken procespartijen, waarbij partijen in gelijke mate en in voldoende mate kans krijgen hun standpunten voor te bereiden en toe te lichten en over en weer op elkaars standpunten te reageren. In het geval van verzoeker is dat ten onrechte niet gebeurd. Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 oktober 2016 in samenhang bezien met de schriftelijke reactie van de gewraakte rechters op het verzoek om wraking kan niet anders worden afgeleid dan dat de mededeling dat de stukken niet bij de beoordeling van de zaak zouden worden betrokken definitief was en dat daarover ter zitting niet meer zou kunnen worden gesproken.

4.4.

Nu het gaat om een weloverwogen genomen beslissing en verzoeker zich daardoor benadeeld heeft gevoeld en kon voelen, kon bij hem de gedachte postvatten dat de gewraakte rechters jegens hem vooringenomenheid koesterden. In ieder geval was de vrees daarvoor, bezien naar het moment waarop verzoeker werd geconfronteerd met de beslissing van de kamer op het verzoek van de raad van bestuur, objectief gerechtvaardigd.

4.5.

De wrakingskamer twijfelt niet aan wat K.J. Kraan namens de kamer ter zitting van

29 november 2016 heeft toegelicht, namelijk dat de kamer bij hervatting van de behandeling onbevooroordeeld naar de zaak van verzoeker zal kijken. Dat uitgangspunt heeft K.J. Kraan in het bijzonder genoemd ten aanzien van het verzoek van de raad van bestuur om bepaalde stukken buiten beschouwing te laten: ook dat verzoek zal de kamer opnieuw en met open blik beoordelen. Toch is de wrakingskamer van oordeel dat vanuit het oogpunt van verzoeker de schijn van vooringenomenheid wel reeds is gewekt door de hiervoor geschetste gang van zaken.

4.6.

Dat betekent dat het verzoek om wraking van K.J. Kraan, J.J.T. van den Corput en

J.F.C. Talman moet worden toegewezen.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van K.J. Kraan,

J.J.T. van den Corput en J.F.C. Talman toe.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

De griffier De voorzitter

(get.) N. van Rooijen (get.) A.J. Schaap

IvR