Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
14-6796 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering functie te herwaarderen. Appellant heeft zijn stelling dat zijn feitelijke werkzaamheden op het niveau van salarisschaal 8 liggen niet onderbouwd. Vanwege het incidentele karakter van de werkzaamheden heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant verrichte werkzaamheden als gladheidcoördinator niet substantieel van aard zijn. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6796 AW

Datum uitspraak: 11 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

3 november 2014, 14/1387 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [appellant] (appellant)

de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2015. Appellant is, zonder bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.C. Zielhorst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was ten tijde hier van belang werkzaam als [functie] , wegendistrict [district] . Deze functie was gewaardeerd op het niveau van salarisschaal 7. Op 7 november 2012 heeft hij verzocht om herwaardering van zijn functie op de grond dat functies van collega’s met nagenoeg dezelfde taken (merendeels) met een hogere schaal zijn gewaardeerd. De taken die appellant de afgelopen jaren heeft vervuld corresponderen volgens hem met de functie [functie] op het niveau van salarisschaal 8.

1.2.

Het verzoek om herwaardering is bij besluit van 29 maart 2013 afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat er geen aanzienlijke wijzigingen in het takenpakket van appellant zijn geweest en dat de invulling van de rol van gladheidcoördinator niet zwaarwegend kan worden meegenomen omdat deze taken niet substantieel van aard zijn. De minister heeft het hiertegen gerichte bezwaar, overeenkomstig het advies van de bezwarenadviescommissie personele aangelegenheden infrastructuur en milieu, bij besluit van 19 maart 2014

(bestreden besluit) ongegrond verklaard. Ten aanzien van het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel heeft de minister overwogen dat de werkzaamheden van appellant niet substantieel en in overwegende mate overeenkomen met werkzaamheden van een met een hogere schaal gewaardeerde functie.

2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijk opgedragen en uitgevoerde werkzaamheden gedurende langere tijd afwijken van de toepasselijke functiebeschrijving. Ook is niet gebleken dat sprake is van gelijke gevallen, zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft verzocht om een herwaardering van zijn functie. Deze waardering was gebaseerd op de artikelen 5 en 5a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren (BBRA). De minister hanteert bij een verzoek om herwaardering van een functie bij Rijkswaterstaat de uitgangspunten “Beschrijven en herwaarderen van functies” zoals die bij brief van 10 juli 2012 door de Directeur-Generaal van Rijkswaterstaat bekend zijn gemaakt.

4.2.

Overeenkomstig de in de brief van 10 juli 2012 genoemde, niet onaanvaardbaar te achten, uitgangspunten, dient in het geval van een verzoek om herwaardering van een functie bij Rijkswaterstaat de vraag te worden beantwoord of in de periode voorafgaand aan het verzoek sprake is geweest van nieuwe taken of aantoonbare taakverzwaringen die expliciet zijn goedgekeurd door het bestuur. Enkel wanneer hier sprake van is, kan in beginsel het laten beschrijven en waarderen van de functie doorgang vinden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van nieuwe taken of aantoonbare taakverzwaringen die appellant expliciet zijn toegekend door het bestuur, zodat de minister, anders dan appellant stelt, niet hoefde over te gaan tot het opnieuw laten beschrijven en op basis daarvan waarderen van de functie van appellant.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het geheel van zijn werkzaamheden ligt en behoort bij de functie [functie] op het niveau van

salarisschaal 8. Omdat deze werkzaamheden aan hem zijn opgedragen had volgens appellant een herwaarderingsonderzoek moeten plaatsvinden. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. Het is aan appellant om de stelling dat zijn feitelijke werkzaamheden op het niveau van salarisschaal 8 liggen te onderbouwen, waarna zo nodig een herwaarderingsonderzoek door de minister kan volgen. Wat appellant heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling is echter te algemeen van aard. Vanwege het incidentele karakter van de werkzaamheden heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant verrichte werkzaamheden als gladheidcoördinator niet substantieel van aard zijn.

4.4.

Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. De minister heeft onweersproken gesteld dat de in de wegendistricten Groningen-Drenthe en Friesland op het niveau van salarisschaal 8 ingedeelde verkeerscoördinatoren werkzaam zijn in grote beheersgebieden en daardoor een meer coördinerende rol vervullen dan appellant en dat de door appellant genoemde coördinator in Midden-Nederland, anders dan appellant, werkzaam is in een zeer complex gebied. Van gelijke gevallen is dan ook geen sprake.

4.5.

Het hoger beroep treft geen doel. Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD