Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
15/5509 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het niet tonen legitimatiebewijs van medewerker college brengt niet mee dat appellant niet mee hoefde te werken aan gesprekken. Terechte intrekking en terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5509 WWB

Datum uitspraak: 13 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juli 2015, 15/468 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 14 september 2016 heeft mr. J.W.G.M. Kral, advocaat, zich als gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2016. Voor appellant is mr. Kral verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Verzandvoort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 juni 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau dat appellant in 2012 over zes bankrekeningnummers beschikte, waaronder een rekening bij de Argenta Spaarbank (Argenta) met nummer [rekeningnummer 1] en een saldo van € 18.330,00 op 31 december 2012, heeft het Team handhaving van de gemeente ’s-Hertogenbosch een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft een medewerker van het Team handhaving bij brieven van 6 maart 2014 en 12 maart 2014 bij appellant bankafschriften opgevraagd over de periode van 1 januari 2012 tot en met 28 februari 2014 van rekeningnummer [rekeningnummer 2] bij de Achmea Retail Bank, van de rekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 4] bij Argenta en van rekeningnummer [rekeningnummer 3] bij de Triodosbank. Appellant heeft bij brief van 18 maart 2014 informatie gegeven en onder meer meegedeeld dat het saldo van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] bij Argenta op 28 februari 2014 € 20.086,27 bedroeg. Omdat appellant daarmee niet volledig aan het verzoek om gegevens aan te leveren had voldaan, heeft het Team handhaving hem bij brief van 31 maart 2014 uitgenodigd voor een gesprek op 9 april 2014, waarbij appellant al zijn afschriften vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2014 diende mee te brengen alsmede bewijsstukken van de herkomst van het door hem opgegeven saldo van € 20.086,27. Appellant is voor het gesprek op 9 april 2014 verschenen en weer vertrokken nadat een van de twee aanwezige medewerkers, [G.] (G), zich, desgevraagd door appellant, niet kon legitimeren. Het college heeft daarop bij besluit van 10 april 2014 het recht op bijstand van appellant met ingang van 9 april 2014 opgeschort. Daarbij is aan appellant, onder opgave van de door hem te verschaffen gegevens, de gelegenheid geboden zijn verzuim tijdens een op 23 april 2014 te houden gesprek te herstellen. Appellant verscheen op 23 april 2014, maar was niet bereid inlichtingen te verstrekken aan iemand die geen legitimatiebewijs kon tonen. Hij wenste evenmin de opgevraagde stukken achter te laten bij de medewerker van het Team handhaving, sociaal rechercheur [V.] (V), die zich wel had gelegitimeerd. Nadat aan appellant was meegedeeld dat beide medewerkers, G en V, ten behoeve van een correcte behandeling van de zaak bij het gesprek aanwezig zouden blijven, is appellant vertrokken zonder verder inlichtingen te verstrekken.

1.3.

Bij besluit van 4 juni 2014 heeft het college de bijstand van appellant per datum opschorting, 9 april 2014, ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB. Tevens heeft het college besloten de bijstand van appellant in te trekken over de periode van

1 januari 2012 tot en met 31 maart 2014 op grond van artikel 54, derde lid, en artikel 17, eerste lid, van de WWB en de teveel verstrekte bijstand over deze periode tot een bedrag van € 17.014,44, van appellant terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 8 januari 2015 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2014 deels gegrond verklaard en het bedrag

van de terugvordering verlaagd tot € 17.001,06. Het college heeft de motivering van het

besluit aangepast in die zin dat het college de bijstand over de periode van 1 januari 2012 tot en met 8 april 2014 op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin van de WWB heeft ingetrokken op de grond dat appellant in gebreke is gebleven inlichtingen te verstrekken, als gevolg waarvan het voor het college onmogelijk is om diens vermogenspositie vanaf 1 januari 2012 tot 9 april 2014 te bepalen en recht op bijstand over deze periode vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepsgrond dat aan appellant niet kan worden tegengeworpen dat de gesprekken op 9 en 23 april 2014 feitelijk niet hebben plaatsgevonden, omdat appellant mocht verlangen dat medewerkers van de uitkerende instantie zich jegens hem legitimeren aangezien hij zich ook moet legitimeren, niet kan slagen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat artikel 17, derde en vierde lid, van de WWB zijn geschreven voor de bijstandsaanvrager/ontvanger, niet voor medewerkers van het college en dat uit de WWB zelf geen legitimatieplicht voortvloeit voor de medewerkers van het college. Appellant had voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de bevoegdheid van G om namens het college te handelen. In de brief van 31 maart 2014 en in het besluit van 10 april 2014, vermeld onder 1.2, wordt G met name genoemd. Bovendien vond het gesprek op 9 en 23 april 2014 plaats in het Stadskantoor van ’s-Hertogenbosch in het bijzijn van een andere medewerker, V, die zich op verzoek van appellant (alhoewel daartoe niet verplicht) wel had gelegitimeerd. Gelet op het voorgaande ontsloeg het niet tonen van een legitimatiebewijs door G appellant niet van zijn plicht om mee te werken aan de gesprekken van 9 en 23 april 2014 en om de door het college gevraagde inlichtingen over te leggen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij steeds de bereidheid heeft gehad om volledige openheid over zijn financiële situatie te geven. Hij betoogt daartoe, evenals in beroep, dat het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting uiteindelijk is gelegen in het feit dat hij na gehoor te hebben gegeven aan een tweetal uitnodigingen van de gemeente voor een bespreking, de gesprekken niet verder is aangegaan, omdat één van de twee ambtenaren die hierbij aanwezig was, zich niet kon legitimeren. Uit oogpunt van rechtszekerheid, namelijk de zekerheid dat appellant te maken heeft met een bevoegde ambtenaar, komt hem het recht toe dat de betrokken overheidsmedewerker zich legitimeert, ook al bevat de specifieke wet- en regelgeving die aan de orde is, een dergelijke verplichting niet. Dat de overheidsmedewerker zich dient te legitimeren dient te worden aangemerkt als een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat bij ontbreken van een legitimatieplicht voor de betrokken overheidsmedewerker in de WWB geen grond bestaat voor het aannemen van een uit een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur voortvloeiende legitimatieplicht als door appellant bedoeld.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en R. van der Spoel als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J. Tuit

HD