Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
15/1437 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel, 100%, 1 maand. Verwijtbaar niet aanvaarde algemeen geaccepteerde arbeid. Verwijtbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1437 WWB

Datum uitspraak: 6 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 januari 2015, 14/3450 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 juli 2013 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Appellant is op 19 augustus 2013 begonnen aan een re-integratieproject bij het bedrijf [naam bedrijf]. In oktober 2013 heeft appellant, daartoe door [naam bedrijf] uitgenodigd, gesolliciteerd naar de functie van assistent werkleider (functie). Appellant kreeg die functie per 1 november 2013 aangeboden. Bij brief van 28 oktober 2013 heeft appellant aan [naam bedrijf] medegedeeld dat hij de hem aangeboden functie niet aanvaardt.

1.3.

Bij besluit van 3 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel vanaf

1 december 2013 gedurende één maand met 100% verlaagd, omdat appellant algemeen geaccepteerde arbeid heeft geweigerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB verplicht was naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden en dat de aangeboden functie bij [naam bedrijf] op zichzelf algemeen geaccepteerde arbeid is. Vaststaat dat appellant deze functie heeft geweigerd.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat [naam bedrijf] een repressieve bedrijfscultuur heeft en deze cultuur indruist tegen de wijze waarop appellant werknemers wil begeleiden, namelijk door op basis van respect voor de ander uit te gaan van diens mogelijkheden en die ander, indien nodig, te motiveren en stimuleren. Het was bij voorbaat duidelijk dat de wijze waarop de functie moest worden uitgeoefend appellant in een gewetensconflict zou brengen. Medio oktober 2013 is appellant als gevolg van de werksituatie ziek geworden.

4.3.

De Raad stelt vast dat de bezwaren van appellant tegen de aangeboden arbeid strikt persoonlijk zijn. Daaraan kan betekenis worden gehecht onder andere indien zij zwaarwegend zijn. De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn bezwaren tegen het vervullen van de functie daadwerkelijk zwaarwegend zijn. Vaststaat dat appellant twee maanden heeft gewerkt bij [naam bedrijf] en succesvol heeft gesolliciteerd naar de functie. Die omstandigheden laten zich moeilijk verenigen met het bestaan van zwaarwegende bezwaren tegen de functie omdat ervan uit mag worden gegaan dat zwaarwegende bezwaren als hier bedoeld, kort na het aanvangen van de werkzaamheden bij [naam bedrijf] zouden zijn opgekomen. Bovendien vooronderstelt een succesvolle sollicitatie een positieve intentie van de daarbij betrokken partijen, in dit geval [naam bedrijf] en appellant. Dat de situatie voor appellant verslechterde doordat hij een andere leidinggevende kreeg, zoals hij heeft aangevoerd, maakt niet dat zijn bezwaren daarmee als zwaarwegend in bovenbedoelde zin moeten worden aangemerkt. Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat hij verplicht was om te solliciteren, maar hij heeft dat niet aannemelijk gemaakt.

4.4.

De brief van appellant aan [naam bedrijf] van 28 oktober 2013 leidt niet tot een ander oordeel. In die brief schrijft appellant dat het werkklimaat bij [naam bedrijf] zal verbeteren als leidinggevenden niet meer uitsluitend functioneren op het niveau van toezichthouder en handhaver. Maar daarnaast schrijft appellant dat hij met veel plezier zijn visie en ervaring in de praktijk heeft gebracht, dat het salaris niet in verhouding staat tot de zwaarte van de aangeboden functie, dat hij bezwaar heeft tegen een aantal arbeidsvoorwaarden en dat door het totaalbeeld van de functie en de door [naam bedrijf] gestelde voorwaarden hij de functie niet zal aanvaarden. Uit de brief blijkt dat ook andere redenen dan de bedrijfscultuur aan het niet aanvaarden van de functie ten grondslag hebben gelegen. Appellant vermeldt in die brief niet dat hij ziek is geworden van het werk. Dat appellant, naar achteraf is gebleken uit de brief van zijn huisarts van 6 januari 2014, op 17 oktober 2013 op consult is geweest wegens rugpijn die hij zelf wijt aan stress door de situatie op zijn werk, maakt het voorgaande niet anders. Appellant had zijn bezwaren tegen de functie met het college en [naam bedrijf] moeten bespreken alvorens de aangeboden functie definitief niet te aanvaarden.

4.5.

Gelet op het vorenstaande is er sprake van het verwijtbaar niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het college was, gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB, gehouden de bijstand te verlagen en heeft daarbij gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Smallingerland 2013. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van appellant het college aanleiding hadden moeten geven om de maatregel te matigen of dat er dringende redenen waren om van het opleggen van een maatregel af te zien.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, als voorzitter en M. ter Brugge en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J.L. Meijer

HD