Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4736

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
19-12-2016
Zaaknummer
16/718 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Uitkeringen niet meegedeeld. Schending inlichtingenplicht. Ministeriële regeling uit 17 lid 1 PW is niet vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/718 PW

Datum uitspraak: 29 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 december 2015, 15/2480 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D.A.A.M. Mijland hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Namens appellanten is mr. Mijland verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W. van der Bos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 17 augustus 2011 hebben appellanten aanvullende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd met ingang van 1 januari 2011. Appellanten hebben op het aanvraagformulier vermeld dat zij hebben geleefd van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar vermogen (WIA) van appellante en de heffingskorting die appellant ontving. De bijstand is aan appellanten toegekend met ingang van 1 januari 2011.

1.2.

Naar aanleiding van een door appellanten ingeleverde voorlopige aanslag 2011 op naam van appellante, met dagtekening 19 mei 2012, heeft het college de belastingaangifte 2011 opgevraagd. Daaruit kwam naar voren dat appellante in 2011 vier verschillende inkomstenbronnen had, te weten een Ziektewetuitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) vanaf 28 februari 2011, inkomsten van Achmea, een

WIA-uitkering van het UWV vermeerderd met een toeslag en bijstand vanaf 1 januari 2011.

1.3.

Bij brief van 28 juni 2012 heeft het college appellanten gevraagd om alle specificaties van de inkomsten van appellante van Achmea van 2011, alle specificaties van de inkomsten van appellante uit de Ziektewetuitkering en bewijsstukken dat beide inkomsten niet meer worden ontvangen, te overleggen. Appellanten hebben de gevraagde stukken overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 22 mei 2015, gehandhaafd bij besluit van 24 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 herzien en de teveel ontvangen bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 1.031,- op de grond dat appellanten over de genoemde periode inkomsten van de Ziektewet en Achmea hebben ontvangen die zij niet hebben opgegeven. Deze inkomsten hadden op de bijstand gekort moeten worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De periode in geding loopt van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011.

4.2.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (PW) doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

4.3.

Appellanten voeren terecht aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de beroepsgronden niet blijkt dat zelfstandige gronden tegen de herziening van de bijstand vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting zijn aangevoerd. Appellanten hebben immers steeds gesteld dat zij de gevraagde stukken tijdig overgelegd hebben en dat zij daarom de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. De beroepsgrond dat zij steeds alle gevraagde gegevens hebben geleverd, slaagt echter niet. Op het aanvraagformulier hebben appellanten bij de vraag naar hun inkomsten alleen aangekruist dat zij een

WIA-uitkering ontvingen. Van de overige in 1.2 vermelde inkomsten hebben appellanten op het aanvraagformulier geen mededeling gedaan. Dat op de bij de aanvraag overgelegde bankafschriften betalingen zichtbaar waren van de Ziektewetuitkering, doet niet af aan de verplichting van appellanten om deze inkomsten op het aanvraagformulier op te geven. Dat appellanten in 2012 de voorlopige aanslag over 2011 en de in de brief van 28 juni 2012 gevraagde stukken hebben overgelegd, doet evenmin af aan de omstandigheid dat appellanten ten tijde van de aanvraag niet alle inlichtingen hebben verstrekt welke noodzakelijk waren voor het vaststellen van het recht op bijstand.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden. Hierbij is niet relevant of sprake is van fraude in strafrechtelijke zin dan wel of appellanten bewust de informatie voor het college hebben willen achterhouden. De in artikel 17 van de PW neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of appellanten de inkomsten hadden moeten melden en dit hebben nagelaten. Dat laatste is, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, het geval.

4.5.

De beroepsgrond dat, gelet op de tweede zin van artikel 17, eerste lid, van de PW, voor hen de inlichtingenplicht niet geldt, kan niet slagen, reeds omdat de ministeriële regeling genoemd in de laatste volzin van dit artikellid tot op heden niet is vastgesteld. De op appellanten rustende inlichtingenverplichting blijft dan ook onverkort van toepassing.

4.6.

Appellanten hebben tot slot aangevoerd dat het college had moeten afzien van terugvordering of de terugvordering had moeten matigen omdat het college niet voortvarend heeft gehandeld. Voor zover appellanten hebben beoogd een beroep te doen op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie, slaagt dit beroep niet. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van

3 augustus 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6666) volgt dat de zesmaandenjurisprudentie betrekking heeft op wettelijke bepalingen waarin sprake is van een bevoegdheid van het bestuursorgaan de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Reeds omdat hier sprake is van een verplichting tot terugvordering en niet van een terugvorderingsbevoegdheid, kunnen appellanten zich niet met vrucht beroepen op bedoelde jurisprudentie.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet, gelet op wat in 4.3 is overwogen met verbetering van gronden, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J. Tuit

HD