Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
15-8391 MAW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Voldoende spoedeisend belang. Eerste verklaring ingetrokken en vervangen door een geheel andere verklaring. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn eerste verklaring niet juist kan zijn. Geen sprake van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8391 MAW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 11 februari 2016

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.G. Dudink, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (rechtbank) van 19 november 2015, 14/3387 (aangevallen uitspraak).

Namens appellant heeft mr. Dudink tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Dudink. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. van der Weijden en P. Herber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker was werkzaam bij de Defensie [naam organisatie] , tot oktober 2013 als commandant autopatrouille op het terrein van het Marine [plaatsnaam] en vanaf oktober 2013 als hoofdbeveiliger op [naam basis] . In september 2013 is verzoeker bevorderd tot wachtcommandant.

1.2.

Op 17 december 2013 is verzoeker door de Koninklijke Marechaussee (KMar) aangehouden op verdenking van diefstal van een aan Defensie toebehorende Blackberry telefoon.

1.3.

Bij besluit van 23 december 2013 heeft de minister verzoeker met toepassing van artikel 109, tweede lid, onder c, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) geschorst en hem de toegang tot de kazerne en andere kazernes ontzegd.

1.4.

Nadat de minister het voornemen daartoe bekend had gemaakt en verzoeker zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de minister bij besluit van 13 maart 2014 verzoeker met toepassing van artikel 100, eerste lid, onder l, van het BARD per 13 maart 2014 strafontslag verleend. Verzoeker is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim bestaande uit de ontvreemding van een aan het Ministerie van Defensie toebehorende telefoon.

1.5.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij uitspraak van 22 april 2014 het besluit van 13 maart 2014 geschorst.

1.6.

Bij besluit van 22 juli 2014 (bestreden besluit) is het tegen het besluit van 13 maart 2014 gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

1.7.

Bij uitspraak van 21 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het bestreden besluit geschorst.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de bij de uitspraak van 21 oktober 2014 getroffen voorziening opgeheven. De rechtbank heeft overwogen dat verzoeker op het [Marine] -terrein een telefoon heeft verkregen en deze heeft doorverkocht aan zijn neef, dat deze telefoon bij verzoekers neef in beslag is genomen en dat het onaannemelijk is dat het niet zou gaan om de Blackberry telefoon die is ontvreemd bij kapitein N. De rechtbank heeft verder overwogen dat verzoeker kan worden gehouden aan zijn eerste verklaring die hij tegenover de KMar heeft afgelegd, nu hij niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat deze verklaring niet juist kan zijn. Deze eerste verklaring hield in dat hij tijdens een nachtdienst in de internetruimte van het slaapgebouw van het [Marine] -terrein een Blackberry telefoon heeft gevonden, die heeft meegenomen en later aan zijn neef heeft verkocht voor € 50,-. De rechtbank heeft geconcludeerd dat voldoende vaststaat dat verzoeker een telefoon toebehorend aan het Ministerie van Defensie heeft weggenomen. Verzoeker heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Nu niet is gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan verzoeker is toe te rekenen, was de minister bevoegd om een disciplinaire maatregel te nemen. Gelet op de aard van de verweten gedraging in relatie tot de functie van verzoeker heeft de rechtbank het opgelegde strafontslag niet onevenredig zwaar geacht in verhouding tot het verweten ernstige plichtsverzuim.

3.1.

Verzoeker heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een aan het Ministerie van Defensie toebehorend goed of aan heling van een van het Ministerie van Defensie gestolen goed. Blijkens zijn tweede verklaring heeft hij de Blackberry telefoon immers voor € 135,- gekocht van een onbekende persoon die op het [Marine] -terrein rondliep en deze later voor € 50,- doorverkocht aan zijn neef. Verzoeker heeft verder gesteld dat het strafontslag onevenredig is.

3.2.

Verzoeker heeft verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat geen gevolg wordt gegeven aan de aangevallen uitspraak totdat de Raad op het hoger beroep heeft beslist. Als spoedeisend belang heeft hij aangevoerd dat hij een gezin heeft met twee kinderen dat hij moet onderhouden en dat volledig te zijnen laste komt.

3.3.

Namens de minister is ter zitting van de Raad gemotiveerd verweer gevoerd en afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening bepleit.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 8:81 in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3.

Nu verzoeker geen inkomsten uit arbeid heeft en hij daarnaast is geconfronteerd met een terugvordering van de bezoldiging die hem is betaald vanwege de toewijzing van de in bezwaar en in beroep toegewezen verzoeken om voorlopige voorziening, bestaat hier een voldoende spoedeisend belang. Daarom moet antwoord worden gegeven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van dit verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

4.4.

Verzoeker heeft de eerste verklaring die hij tegenover de KMar heeft afgelegd ingetrokken en vervangen door een geheel andere verklaring. Verzoeker is er echter vooralsnog niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zijn eerste verklaring niet juist kan zijn. Een onderbouwing van de tweede verklaring ontbreekt, terwijl verzoeker niet alle mogelijkheden lijkt te hebben benut om tot zo’n onderbouwing te komen. Ook heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij de eerste verklaring in blinde paniek heeft afgelegd, zoals hij heeft verklaard.

4.5.

Hoewel aan verzoeker moet worden toegegeven dat de door de minister gepresenteerde feiten en diens interpretatie van die feiten op onderdelen vragen oproepen, zijn die vragen gelet op de vraagtekens die bij de tweede verklaring van verzoeker kunnen worden geplaatst niet zodanig dat een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De gevraagde voorziening zal daarom worden geweigerd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C. Moustaïne

HD