Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
15/753 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling buitenlandbijdrage. Appellante was in de van belang zijnde jaren rechthebbende op de lijfrente-uitkering. De aansluiting van het Zorginstituut bij het belastbaar loon leidt dan ook niet tot het heffen van een bijdrage over een uitkering waartoe zij niet gerechtigd was en levert dan ook geen strijd op met het Unierecht. De omstandigheid dat op grond van artikel 5, vijfde lid, en artikel 69 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (teksten 1988-1991) (voor zover van belang), gelezen in samenhang met artikel 1 letter O van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, deze uitkering bij binnenlandse belastingplicht in de heffing van de echtgenoot zou zijn betrokken, doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/119 met annotatie van H.J. Simon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/753 ZVW, 15/796 ZVW, 15/798 ZVW, 15/797 ZVW en 15/5697 ZVW

Datum uitspraak: 8 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen vier uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2014, kenmerk 13/4346, 13/4344, 13/6639, 14/550, en de uitspraak van deze rechtbank van 14 juli 2015, kenmerk 15/1129 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (Frankrijk) (appellante)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut), mede als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Appellante is, met kennisgeving aan de Raad, niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in november 1945, woont sinds januari 2008 met haar echtgenoot in Frankrijk.

1.2.

Appellante heeft in de jaren 1988 tot en met 1991 kapitaalverzekeringen met een lijfrenteclausule gesloten en daartoe koopsommen voldaan. Deze koopsommen zijn, overeenkomstig de destijds geldende bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, als persoonlijke verplichting in aftrek gebracht op het onzuivere inkomen van haar echtgenoot.

1.3.

In mei 2008 heeft appellante de waarde van de polissen gebruikt voor het afsluiten van een direct ingaande lijfrente-uitkering op het leven van haar en dat van haar echtgenoot.

1.4.

Appellante genoot in de jaren 2011 tot en met 2013 een uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet en een lijfrente-uitkering als beschreven onder 1.3 tot een jaarlijks bedrag van € 6.933,-. Haar belastbaar loon, aangeduid als “Pensioenen” en vermeld in de zogenaamde Fibase van de Belastingdienst, was in totaal € 15.550,- voor het jaar 2011,

€ 15.716,- voor het jaar 2012 en € 16.744,- voor het jaar 2013.

1.5.

Het Zorginstituut heeft appellante ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) als verdragsgerechtigde aangemerkt. Op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 heeft zij recht op zorg in het woonland (Frankrijk), ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is appellante ingevolge artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage).

1.6.

De inspecteur van de Belastingdienst heeft het niet in Nederland belastbaar inkomen voor de jaren 2011, 2012 en 2013 vastgesteld op nihil. Tegen deze vaststelling heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Aan appellante zijn over deze jaren geen aanslagen of navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd.

1.7.

Het Zorginstituut heeft de volgende buitenlandbijdrage vastgesteld:

- op 30 augustus 2012 een voorlopige afrekening over 2011 ten bedrage van € 2.230,98 (voor verrekening van inhouding tot een bedrag van € 1.493,-);

- op 25 februari 2013 de definitieve afrekening over 2011 met dezelfde bedragen;

- op 15 augustus 2013 een voorlopige afrekening over 2012 ten bedrage van € 2.162,34 (voor verrekening van inhouding tot een bedrag van € 1.473,-);

- op 15 november 2013 de definitieve afrekening over 2012 met dezelfde bedragen;

- op 28 juli 2014 een voorlopige afrekening over 2013 ten bedrage van € 2.155,02 (voor verrekening van inhouding tot een bedrag van € 1.330,-).

1.8.

Bij beslissingen op bezwaar (bestreden besluiten) heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellante tegen de berekening van de buitenlandbijdrage ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard omdat appellante als in het buitenland wonende bijdrageplichtige, niet vergelijkbaar is met een in Nederland wonende premieplichtige en de behandeling van haar niet onevenredig ongelijk is met de in Nederland wonende premieplichtige. Het is aan appellante een procedure bij de Belastingdienst te entameren inzake de vaststelling van het inkomensgegeven, ook als daaraan mogelijk een financieel nadeel is verbonden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (onder meer het arrest van 16 juli 2009, C‑208/07 (Von Chamier-Glisczinski), ECLI:EU:C:2009:455) vloeit uit artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) niet een waarborg voort dat een verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal zal zijn.

3.1.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij aangevoerd dat het Unierecht wordt geschonden omdat de buitenlandbijdrage (mede) wordt berekend over de door appellante genoten lijfrente-uitkering. Het overgangsrecht, opgenomen in de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, houdt in dat het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 69 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing blijft en bepaalt dat de lijfrente-uitkering tot het inkomen van haar echtgenoot zou zijn gerekend als de echtgenoten in Nederland waren blijven wonen. De vestiging in Frankrijk bewerkstelligt dat appellante als buitenlands belastingplichtige wordt aangemerkt waardoor de lijfrente-uitkering wel tot haar inkomen wordt gerekend. Dit levert een beperking op van het recht op vrij verblijf in een andere lidstaat.

3.1.2.

In het nadere stuk heeft appellante nog aangevoerd dat, als zij en haar echtgenoot verzekeringsplichtig en als inwoners van Nederland binnenlands belastingplichtig zouden zijn geweest, de lijfrente-uitkering tot het inkomen van haar echtgenoot zou hebben behoord. In reactie op de uitspraak van de Raad van 18 november 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:4330), voor het bijdragejaar 2010, heeft zij nog gesteld dat aan de beschikking tot vaststelling van het niet in Nederland belastbaar inkomen geen formele rechtskracht toekomt, dat zij niet kan nagaan of het Zorginstituut van de juiste bedragen is uitgegaan en dat de Fibase slechts loongegevens bevat en niet het verzamelinkomen. Voorts had het Zorginstituut het bezwaar moeten doorsturen aan de Belastingdienst op grond van het bepaalde in artikel 21j, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Dit artikel gaat voor boven het bepaalde in artikel 21k van de Awr. Voorts acht appellante de verwijzing naar de keuzeregeling in strijd met de uitspraken van het Hof van 18 maart 2010, C‑440/08 (Gielen) en 19 november 2015, C‑632/13 (Hirvonen). Voor de belastingheffing is de toerekeningsregel van artikel 5, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 1964 terecht, maar dit geldt niet voor de berekening van de buitenlandbijdrage. Het Zorginstituut had de inkomensgegevens weliswaar mogen ontlenen aan het vastgestelde toetsingsinkomen maar had uit die inkomensgegevens elementen moeten elimineren.

3.2.

Het Zorginstituut stelt zich op het standpunt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 18 november 2015, nr. 13/3619, (ECLI:NL:CRVB:2015:4330), beslist dat de bestuursrechter/sociale zekerheidsrechter geen oordeel toekomt over de juistheid, samenstelling en berekening van het inkomensgegeven. De Raad zal in het hierna volgende een beoordeling geven van de aanvullende gronden als aangevoerd in het nadere stuk.

4.2.

Appellante was in de jaren 2011, 2012 en 2013 rechthebbende op een AOW-uitkering en een lijfrente-uitkering. Artikel 21 van het VWEU staat er niet aan in de weg dat van appellante als rechthebbende op die uitkeringen afkomstig uit het pensioenland een bijdrage wordt geheven uit hoofde van de verstrekkingen in haar woonstaat (HvJ EU 14 oktober 2010, C‑345/09 (Van Delft), ECLI:EU:C:2010:610).

4.3.1.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Zvw melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen (…) in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, zich, tenzij zij op grond van de Zvw verzekeringsplichtig zijn, bij het Zorginstituut aan. In het tweede lid is, voor zover van belang, bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage zijn verschuldigd (buitenlandbijdrage).

4.3.2.

De in artikel 69 van de Zvw bedoelde ministeriële regeling is de Regeling zorgverzekering (Regeling).

4.3.3.

In artikel 6.3.1, eerste en tweede lid, van de Regeling zijn de wijze van berekening en de grondslag van de buitenlandbijdrage opgenomen. Het tweede lid houdt in dat de grondslag van de inkomensafhankelijke bijdrage wordt gebaseerd op het bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest indien appellante verzekeringsplichtig zou zijn geweest op grond van de Zvw, dan wel verzekerd zou zijn geweest ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Artikel 6.3.1, zesde lid, van de Regeling houdt in dat de inkomensgegevens, benodigd voor de berekening van de in het tweede lid bedoelde grondslag, worden ontleend aan het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

4.3.4.

Ingevolge artikel 2, onderdeel o, van de Awir wordt onder inkomensgegeven verstaan het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Awr. Artikel 8, eerste lid, van de Awir houdt in dat het toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven is. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld, in aanvulling op het eerste lid mede als toetsingsinkomen in aanmerking genomen.

4.3.5.

Ingevolge artikel 21a van de Awr is er een basisregistratie inkomen waarin inkomensgegevens met bijbehorende temporele en meta-kenmerken zijn opgenomen. Het inkomensgegeven bedoeld in de vorige volzin is een authentiek gegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de Awr. Over de jaren 2011, 2012 en 2013 zijn aan appellante geen aanslagen of navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd. Voor die situatie merkt artikel 21, onderdeel e, van de Awr het na afloop van een kalenderjaar laatst bepaalde belastbaar loon aan als inkomensgegeven.

4.4.1.

Artikel 21f, derde lid, van de Awr bepaalt dat een inkomensgegeven wordt bekendgemaakt bij het besluit dat door de afnemer wordt genomen op de grondslag van het inkomensgegeven. Artikel 21j, tweede lid, van de Awr bepaalt dat een bezwaarschrift tegen het besluit van de afnemer, voor zover het gericht is tegen het inkomensgegeven, mede wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het inkomensgegeven. Uit het bezwaarschrift van appellante blijkt niet dat het bezwaar gericht was tegen de hoogte van het inkomensgegeven zodat het Zorginstituut geen reden had dit bezwaarschrift mede aan te merken als een bezwaarschrift tegen de vaststelling van het inkomensgegeven door de inspecteur op de voet van het bepaalde in artikel 21j van de Awr.

4.4.2.

De toelichting bij de Wijziging Regeling zorgverzekering (Stcrt. 13 april 2007, nr. 72, pag. 15) bevat de tekst:

“In het achtste (thans: zesde) lid is geregeld dat het CVZ de voor de in het tweede lid bedoelde grondslag benodigde inkomensgegevens ontleent aan het door de Belastingdienst vastgestelde toetsingsinkomen. Dit is het toetsingsinkomen als bedoeld in artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).

Daarbij zijn twee situaties te onderscheiden: er is of wordt een aanslag inkomstenbelasting vastgesteld of er is of wordt geen aanslag inkomstenbelasting vastgesteld.

Voor de eerstgenoemde situatie bepaalt artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Awir dat het verzamelinkomen zoals dat in die aanslag is opgenomen als toetsingsinkomen geldt. De toevoeging ‘zoals dat in die aanslag is opgenomen’ dient een eenvoudige en doelmatige uitvoering. Het CVZ hoeft zich daardoor niet in te laten met de vraag of het verzamelinkomen wel op het juiste bedrag is vastgesteld. Pas als het in de aanslag opgenomen verzamelinkomen is gewijzigd bijvoorbeeld na bezwaar of navordering, is er aanleiding een ander toetsingsinkomen in aanmerking te nemen.

Als geen aanslag is of wordt vastgesteld, wordt volgens artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Awir het belastbare loon aangemerkt als toetsingsinkomen. Ook hier dient een kenbaar gegeven als bron: het loon zoals dat op de jaaropgave is vermeld. Het doel hiervan is wederom om het CVZ te vrijwaren van het beoordelen van de fiscale juistheid van het vermelde loon. Pas bij een gewijzigde jaaropgaaf is er aanleiding een ander toetsingsinkomen in aanmerking te nemen.”

Anders dan appellante stelt valt uit deze toelichting niet af te leiden dat het Zorginstituut bevoegd is eigen bewerkingen uit te voeren op het van de Belastingdienst afkomstige inkomensgegeven als toetsingsinkomen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen is in de Zvw en de Regeling dwingend voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage berekend moet worden (CRvB 27 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2579). De woorden “worden ontleend” in artikel 6.3.1, zesde lid, van de Regeling bieden geen ruimte om af te wijken van deze berekeningssystematiek.

4.4.3.

Appellante was in de van belang zijnde jaren rechthebbende op de lijfrente-uitkering. De aansluiting van het Zorginstituut bij het belastbaar loon leidt dan ook niet tot het heffen van een bijdrage over een uitkering waartoe zij niet gerechtigd was en levert dan ook geen strijd op met het Unierecht. De omstandigheid dat op grond van artikel 5, vijfde lid, en artikel 69 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (teksten 1988-1991) (voor zover van belang), gelezen in samenhang met artikel 1 letter O van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, deze uitkering bij binnenlandse belastingplicht in de heffing van de echtgenoot zou zijn betrokken, doet daaraan niet af.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep moet worden verworpen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) R.I. Troelstra

UM