Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4699

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
16/6155 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek en verzoek om voorlopige voorziening. Nader onderzoek niet aangewezen. Ook overigens geen beletselen om uitspraak te doen in hoofdzaak. Verzoekster heeft met haar grieven in wezen beoogd een discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016. Rechtsmiddel van herziening niet gegeven voor het voeren van dergelijke discussies. Geen aanleiding meer voor treffen voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6155 AW, 16/6231 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 8 december 2016

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016, 15/4540 (ECLI:NL:CRVB:2016:2803).

Verzoekster heeft tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

De korpschef heeft geen verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2016. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. I. Atar. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd.

1.1.

Verzoekster was sinds 1991 werkzaam bij de politie. Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de korpschef met toepassing van artikelen 39, eerste lid, en 73, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) verzoekster buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging en haar de toegang tot de gebouwen ontzegd. Bij besluit van 7 april 2014 heeft de korpschef de beoordeling van verzoekster vastgesteld op een onvoldoende. Bij besluit van eveneens 7 april 2014 heeft de korpschef verzoekster met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp met ingang van vier weken na het besluit ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij besluit van 30 september 2014 heeft de korpschef de bezwaren van verzoekster tegen de voornoemde besluiten van 31 januari 2013 en 7 april 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 mei 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:3442) heeft de rechtbank het tegen het besluit van 30 september 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.2.

Bij de uitspraak waarvan thans herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 19 mei 2015 bevestigd. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de beoordeling een evenwichtig totaalbeeld geeft van het functioneren van verzoekster, dat de korpschef in redelijkheid verzoekster buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging heeft kunnen verlenen en haar de toegang tot de gebouwen heeft kunnen ontzeggen, dat de conclusie van functieongeschiktheid gerechtvaardigd is en dat de korpschef verzoekster daarom heeft mogen ontslaan. Verder heeft de Raad overwogen dat verzoekster de stelling dat zij vanwege haar afkomst is gediscrimineerd, ook in hoger beroep op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd.

2.1.

Verzoekster heeft in het verzoek om herziening een groot aantal grieven naar voren gebracht. In de kern komen die er op neer dat de korpschef een oneerlijke proceshouding heeft ingenomen en daardoor heeft belet dat in hoger beroep feiten aan het licht zouden zijn gekomen die tot een voor verzoekster gunstige afloop van het hoger beroep hadden kunnen leiden. Daartoe heeft verzoekster een aantal gevallen genoemd waarin de korpschef onjuiste informatie zou hebben verschaft dan wel anderszins onjuist zou hebben gehandeld en de Raad op het verkeerde been zou hebben gezet. Verder heeft verzoekster haar in de eerdere procedure ingenomen stelling dat zij in haar loopbaan bij de politie vanwege haar ras, afkomst en geslacht is gediscrimineerd, herhaald.

2.2.

Verzoekster heeft verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de werking van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016 op te schorten totdat is beslist op het verzoek om herziening van deze uitspraak.

3. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge artikel 8:119, tweede lid, in verbinding met artikel 8:81 en artikel 8:108,

eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien is verzocht om herziening van een uitspraak van de Raad, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.

Ingevolge artikel 8:86 in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat er ook overigens geen beletselen zijn om uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3.4.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.5.

Hetgeen verzoekster aan het verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd, betreft geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoekster heeft met de onder 2.1 genoemde grieven in wezen beoogd een discussie te voeren over de juistheid van de uitspraak van de Raad van 21 juli 2016. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:421) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet gegeven voor het voeren van dergelijke discussies.

3.6.

Uit 3.5 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

3.7.

Gelet op de uitspraak in de hoofdzaak is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

3.8.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om herziening af;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.

(getekend) M.T. Boerlage

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD