Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4696

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
16/582 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verantwoordelijkheid ambtenaar om functieonderhoud te vragen en eventueel rechtsmiddelen in te stellen bij afwijzing verzoek. Daarvan afzien blijft voor risico van appellant. Niet gebleken van uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen door korpschef. Persoonlijke schaal behouden. Positie een betrokkene bij komende reorganisatie heeft geen betrekking op overgang naar LFNP - functie. Geen rol in het kader van hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/582 AW

Datum uitspraak: 8 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 december 2015, 14/6987 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift en nog enige stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Namens appellant is

mr. Dijkgraaf verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.A.M. Bot en M.L. van den Hil.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Appellant was vanaf 8 mei 2004 aangesteld als [functie A] (schaal 14) aan bureau [naam bureau]. Bij besluit van 9 juni 2011 is hij vanaf 15 mei 2011 geplaatst als [functie B] (schaal 13) bij de Vreemdelingenpolitie met de bepaling dat zijn salaris en gemiddelde werktijd gelijk zouden blijven. In het besluit is ook vermeld dat deze functie de nieuwe uitgangspositie wordt voor het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP).

1.3.

De korpschef heeft de uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het LFNP per 31 december 2009 vastgesteld op de functie van [functie A].

Per 15 mei 2011 en op 31 december 2011 is die uitgangspositie vastgesteld op de functie van [functie B]. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Bij besluit van 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant een besluit genomen tot toekenning van de LFNP-functie Sectorhoofd (schaal 14) over de periode van

31 december 2009 tot 15 mei 2011 en tot toekenning van de LFNP-functie Teamchef C (schaal 12) over de periode van 15 mei 2011 tot en met 31 december 2011. Voorts is bepaald dat appellant met ingang van 1 januari 2012 naar laatstgenoemde LFNP-functie overgaat. Bij besluit van 15 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant de beroepsgronden die hij bij de rechtbank had voorgedragen herhaald.

3.2.

De korpschef heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad moet beoordelen of de rechtbank op goede gronden de overgang van appellant per 1 januari 2012 naar de LFNP-functie van Teamchef C in stand heeft gelaten.
4.2. Appellant handhaaft in hoger beroep zijn betoog dat deze overgang in strijd is met toezeggingen die hem zijn gedaan bij zijn plaatsing als [functie B]. In het gesprek over de overplaatsing is hem beloofd dat de plaatsing in die lager gewaarde functie hem niet zou schaden. Appellant meent dat hij per 1 januari 2012 had moeten overgaan naar de LFNP-functie van Sectorhoofd. Dit betoog slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4088) behoort het tot de verantwoordelijkheid van de ambtenaar om functieonderhoud te vragen en eventueel rechtsmiddelen in te stellen tegen een afwijzing van zo’n verzoek. De omstandigheid dat appellant daarvan heeft afgezien dient voor risico van appellant te blijven. Verder is niet gebleken dat er van de kant van de korpschef uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij appellant gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt en op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat binnen het LFNP op een andere wijze en met een ander resultaat zou worden gematcht. Bovendien heeft appellant zijn persoonlijke schaal 14 behouden.

4.3.

Appellant handhaaft in hoger beroep zijn standpunt dat door de overgang naar de

LFNP-functie Teamchef C sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling overgang naar een LFNP functie (Regeling). Hij meent dat de rechtbank op die beroepsgrond onvoldoende is ingegaan. Appellant wordt hierin niet gevolgd. De rechtbank heeft gemotiveerd aangegeven waarom zij appellant in zijn desbetreffende stellingen niet is gevolgd. De Raad is inhoudelijk niet tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1560), heeft de positie van een betrokkene in de op handen zijnde reorganisatie van de politie geen betrekking op de overgang naar een functie uit het LFNP. In het kader van de hardheidsclausule spelen mogelijke gevolgen van de overgang naar een LFNP-functie voor de positie van appellant in die reorganisatie daarom geen rol. Het gevoel van appellant dat hij niet kan solliciteren naar functies op het niveau van teamchef vormt geen draagkrachtige reden voor de toepassing van de hardheidsclausule. Ten slotte is de omstandigheid dat appellant met behoud van bezoldiging in een lager gewaardeerde functie is geplaatst op zichzelf geen situatie die als bijzonder moet worden gekwalificeerd. In dit verband is niet gebleken van omstandigheden die de korpschef als een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling had moeten aanmerken. De aanbeveling van de hoorcommissie om de plaatsing als bijzondere omstandigheid mee te wegen kan hieraan niet afdoen.

4.4.

Omdat het hoger beroep niet slaagt, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling van de korpschef in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) C. Moustaïne

HD