Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
16/272 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeschiktheidsontslag. Sprake van voldoende concrete gedragingen waaruit blijkt dat appellant de eigenschappen, de mentaliteit en de instelling mist die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie vereist zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/272 AW

Datum uitspraak: 8 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 december 2015, 14/4297 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. van der Lee, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Lee. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L. Stové, E.C.R. Frankvoort, M.G. Hoovenstat, G.W. Kooreman en K.M. van Grunsven.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is vanaf 1 februari 2005 werkzaam geweest bij het voormalige stadsdeel [naam stadsdeel 1] van de gemeente Amsterdam, laatstelijk als [naam functie A] Vanaf 1 februari 2006 had hij een aanstelling in vaste dienst.

1.2.

Op 2 juli 2012 is een beoordeling opgemaakt van zijn functioneren in het tijdvak oktober 2011 tot en met juni 2012. Na de zienswijze van appellant is bij besluit van 23 augustus 2012 een herziene beoordeling (beoordeling) vastgesteld. Het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 13 juni 2014 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Bij brief van 28 november 2012 is appellant meegedeeld dat het gezien zijn houding en gedrag noodzakelijk is zijn werkzaamheden en aanstelling bij het stadsdeel te beëindigen. Ook is uiteengezet wat van appellant wordt verwacht tot zijn ontslag wegens ongeschiktheid anders dan door ziekte per 1 juni 2013 dan wel uiterlijk 1 december 2013.

1.4.

In 2013 heeft appellant vanaf 2 april 2013 tot 1 december 2013 bij wijze van stage gewerkt als [naam functie B] in het stadsdeel [naam stadsdeel 2].

1.5.

Na het voornemen van 15 juli 2013 is bij besluit van 15 november 2013, gehandhaafd bij besluit van 13 juni 2014 (bestreden besluit 2), aan appellant per 1 december 2013 ontslag verleend met toepassing van artikel 12.12, onder a, a van de Nieuwe rechtspositieregeling gemeente Amsterdam (NRGA).

2.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar tegen de beoordeling terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft ten aanzien van het ongeschiktheidsontslag geoordeeld dat uit het dossier voldoende concrete gedragingen blijken op grond waarvan het college tot de conclusie mocht komen dat appellant ongeschikt is voor zijn functie. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat over de periode van 2005 tot en met 2012 vele gesprekken met appellant zijn gevoerd, afspraken zijn gemaakt en beoordelingen zijn opgemaakt die telkens hetzelfde beeld laten zien, namelijk dat van een medewerker die zich niet laat bijsturen en die geen inzicht heeft in het effect dat zijn eigen handelen op anderen heeft. Appellant lijkt niet te begrijpen dat zijn manier van doen door collega’s en leidinggevenden als bedreigend wordt ervaren. Het college heeft veel geïnvesteerd in de begeleiding van appellant maar dat heeft geen resultaat gehad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college na de terugval in 2012 in redelijkheid heeft mogen concluderen dat verdere begeleiding geen zin had omdat alle pogingen daartoe in de loop der jaren op niets waren uitgelopen.

3. Het hoger beroep is erop gericht dat het bezwaar tegen de beoordeling alsnog ontvankelijk wordt verklaard en dat de beoordeling wordt herroepen, en dat bestreden besluit 2 wordt vernietigd en het ontslagbesluit wordt herroepen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Niet ontvankelijkheid bezwaar

4.1.

Vaststaat dat het college het bezwaarschrift van 24 oktober 2012 na het verstrijken van de bezwaartermijn heeft ontvangen. Appellant heeft betoogd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege een drietal omstandigheden: het overlijden van zijn moeder, een overstroming in zijn woning en eigen ziekte. Dit betoog slaagt niet. Appellant heeft deze omstandigheden niet nader geconcretiseerd en heeft evenmin duidelijk gemaakt wanneer ze zich precies voordeden. Daarbij heeft appellant niet bestreden dat hem door P&O-adviseur K meermalen mondeling is geadviseerd voorlopig bezwaar te maken om zijn rechten niet te verspelen. Appellant heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde omstandigheden, wat daar verder ook van zij, eraan in de weg hebben gestaan om tijdig een (voorlopig) bezwaarschrift in te dienen. Nu de bezwaartermijn van openbare orde is, heeft de brief van 21 februari 2013, waarbij appellant een nadere termijn is gegeven om zijn gronden in te dienen, geen rechtsgevolg, omdat deze brief dateert van na het verstrijken van de bezwaartermijn. Het college heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Dit brengt mee dat de beoordeling van 23 augustus 2012 in rechte vast staat.

Ongeschiktheidsontslag

4.2.

Appellant heeft betoogd dat hij is benadeeld doordat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze in te dienen na het voornemen van 15 juli 2013. Hij werkte toen op de afdeling [naam afdeling B] bij stadsdeel [naam stadsdeel 2] en volgens hem bestond er in de periode nog een grote bereidheid om hem verder te helpen. Appellant heeft hierbij verwezen naar e-mailverkeer van 14 en 15 juli 2013 van zijn voormalig leidinggevende Van G. Dit betoog slaagt niet. Uit de

e-mail van 15 juli 2013 van Van G aan De J blijkt dat appellant bij de afdeling [naam afdeling A] weg moet omdat hij jarenlang gecorrigeerd is op zijn gedrag en dat in dat opzicht de grenzen zijn bereikt. Verder gaat appellant er hierbij ten onrechte aan voorbij dat zijn sollicitatie van

7 maart 2013 bij de afdeling [naam afdeling B] niet was geslaagd. Ten slotte was bij aanvang van de stage al duidelijk dat er geen mogelijkheid van een aanstelling bestond omdat daarvoor bij de afdeling [naam afdeling B] de formatie ontbrak. Aldus valt niet in te zien dat appellant door het niet bieden van de zienswijzemogelijkheid is benadeeld. Bovendien heeft hij in de bezwaarprocedure zijn standpunten naar voren kunnen brengen. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht heeft toegepast om dit gebrek te passeren.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de ongeschiktheid voor de functie zich te uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van die functie vereist zijn. Daarvoor is niet steeds vereist dat de functievervulling van de ambtenaar inhoudelijk niet naar behoren is. Ook indien houding en gedrag van de ambtenaar hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid worden gesproken. Vergelijk de uitspraak van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1548. Het bestuursorgaan moet de ongeschiktheid voor het vervullen van de functie aannemelijk maken aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:33.

4.4.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gedingstukken het beeld naar voren komt dat appellant niet in staat is gebleken, ondanks begeleiding door zijn leidinggevende en een externe coach, om zijn houding en gedrag waarop hij sinds 2005 talloze keren is aangesproken, te verbeteren. Niet alleen in de beoordelings- en functioneringsgesprekken in 2009, 2010 en 2011 maar ook daarbuiten is appellant hierop, gerekend vanaf 2009, negen keer aangesproken. In 2009 is hij tweemaal schriftelijk gewaarschuwd, waarbij hij er bij de laatste waarschuwing op is gewezen dat bij een volgend incident ontslag dreigt. In het laatste jaar bij de afdeling [naam afdeling A] heeft appellant een andere leidinggevende gekregen, die appellant heeft meegedeeld met een schone lei te willen beginnen, mits appellant zijn gedrag aanpast. Uit de beoordeling van 2012 blijkt dat vervolgens sprake is geweest van een terugval in het oude negatieve en agressieve gedrag.

4.4.2.

Bij de beoordeling is een drietal incidenten betrokken, te weten (a) een beweerde bedreiging in het rookhok, (b) een voortijdig beëindigen van de dienst en (c) het opnieuw gaan rijden zonder toestemming na een rijinstructie. De toedracht van een en ander is door appellant betwist.

4.4.3.

Ten aanzien van incident a stelt de Raad vast dat appellant de verweten bewoordingen niet heeft teruggenomen. Zijn standpunt dat het gesprek, dat direct na het incident plaatsvond en waarbij onder meer ook K aanwezig was, “ haast gezellig” werd nadat het incident was besproken, vindt geen steun in hetgeen K ter zitting bij de Raad heeft verklaard, noch in de gedingstukken. Zowel op zichzelf beschouwd als bezien in de context (het eventueel ingeroosterd worden op nachtdiensten) waarin zij zijn gemaakt, leveren die bewoordingen naar het oordeel van de Raad ook objectief een bedreiging op, zodat het college daar terecht zwaar aan heeft getild.

4.4.4.

Ten aanzien van incident b is ter zitting van de Raad gebleken dat appellant stelt dat hij zich, al werkende in de wasstraat, ruim voor einde diensttijd heeft omgekleed en dat einde heeft afgewacht, terwijl zijn collega’s nog in werkkleding bezig waren. Zijn eerst ter zitting bij de Raad gegeven verklaring dat hij toen eerst nog droge werkkleding heeft aangetrokken in plaats van zijn eigen kleren, acht de Raad onaannemelijk. Bovendien heeft appellant niet betwist dat hij zelfstandig de dienst voortijdig heeft beëindigd, hetgeen niet geoorloofd was.

4.5.

Nog daargelaten wat er zij van incident c, nu omtrent de precieze toedracht van de wel of niet gegeven toestemming om weer te mogen rijden onduidelijkheid is blijven bestaan, is de Raad van oordeel dat de incidenten a en b wat betreft aard en ernst passen in de rij van de eerder verweten gedragingen en eerdergenoemd beeld bevestigen. Op grond hiervan mocht het college concluderen dat de maat vol was.

4.6.

Uit 4.4.1 tot en met 4.4.4 volgt dat sprake is van voldoende concrete gedragingen waaruit blijkt dat appellant de eigenschappen, de mentaliteit en de instelling mist die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie vereist zijn.

4.7.

Appellant heeft betoogd dat hem ten onrechte een verder verbetertraject is onthouden na de beoordeling van 28 augustus 2012. Ook na de stage bij de afdeling [naam afdeling B], waar hij naar tevredenheid heeft gewerkt, had hem nog een verbetertraject bij de afdeling [naam afdeling A] of een vergelijkbare afdeling moeten worden aangeboden. Dit betoog slaagt niet. In ieder geval sinds 2009 is appellant een aantal keren een verbeterkans geboden. De Raad verwijst naar het traject met een externe coach en naar de beoordelings- en functioneringsgesprekken van 2009, 2010 en 2011. Deze verbeterkansen, die niet hebben geleid tot een duurzame verbetering van houding en gedrag, hebben hun betekenis niet verloren door de stage bij de afdeling [naam afdeling B]. Daarbij betrekt de Raad dat ruim voor de aanvang van de stage door het college aan appellant bij brief van 28 november 2012 de met hem gemaakte afspraken, dat het doel is het vinden van ander werk hetzij binnen de gemeente, hetzij daar buiten, en dat de prioriteit ligt bij het solliciteren, zijn bevestigd. Tevens is bij die brief aangezegd dat bij het niet (tijdig) vinden van ander werk een ongeschiktheidsontslag per 1 december 2013 volgt, zodat appellant hiervan op de hoogte was voor de aanvang van de stage.

4.8.

Uit 4.4.1 tot en met 4.7 volgt dat het college bevoegd was appellant ongeschiktheidsontslag te verlenen en in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en M. Kraefft en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD