Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
13-6814 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beperkingen zoals opgenomen in de FML. Kostenvergoeding expertiserapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6814 en 16/1047 WAO

Datum uitspraak: 7 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

18 november 2013, 13/1350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. H. ten Brinke.

Nadat het onderzoek was heropend, heeft de Raad dr. P. Naarding, psychiater, als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 22 december 2015 een rapport uitgebracht.

Op 19 januari 2016 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij is vastgesteld dat de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van
15 februari 2013 onveranderd blijft gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij brieven van 4 februari 2016 en 15 maart 2016 heeft appellante gereageerd op het besluit van 19 februari 2016.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer. Vervolgens heeft de Raad heeft met toestemming van partijen bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster. Op 8 november 2001 is zij uitgevallen als gevolg van psychische klachten en klachten aan de schildklier. Na afloop van de wachttijd is haar met ingang van 7 november 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij herbeoordelingen in 2003 en 2005 is de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd gebleven.

1.2.

Na een herbeoordeling in 2012 heeft het Uwv bij besluit van 14 december 2012 de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 15 februari 2013 beëindigd. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 mei 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan deze besluiten ligt een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 november 2012 ten grondslag, waarin de beperkingen van appellante vanaf die datum zijn weergegeven.

2. Het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

3.1.

Bij het besluit van 19 januari 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 15 februari 2013 onveranderd blijft gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar bepaald op € 944,- en de vergoeding van de kosten van het door appellante ingebrachte expertiserapport op € 406,32. Aan het besluit ligt een FML van 18 januari 2016 ten grondslag waarin de beperkingen van appellante met ingang van
29 november 2012 nader zijn vastgesteld.

3.2.

In haar brieven van 4 februari 2016 en 15 maart 2016 heeft appellante te kennen gegeven dat zij zich kan verenigen met de aan haar met ingang van 15 februari 2013 toegekende WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar zij dat zij niet kan verenigen met de beperkingen zoals die zijn opgenomen in respectievelijk de FML van 29 november 2012 en 18 januari 2016. Uit het door haar ingezonden “Formulier proceskosten” blijkt dat zij zich niet kan verenigen met de vastgestelde vergoeding van de kosten van het expertiserapport.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het Uwv heeft met het besluit van 19 januari 2016 het bestreden besluit gewijzigd. Dat betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand werd gelaten, moeten worden vernietigd. Met de vernietiging van het bestreden besluit is er geen reden meer voor een afzonderlijke beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende FML van 29 november 2012.

4.2.

Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat op grond van artikel 6:24 van de Awb in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, is sprake van beroep van rechtswege tegen het besluit van 19 januari 2016, tenzij appellante daarbij onvoldoende belang heeft.

4.3.

Vastgesteld wordt dat het Uwv met het besluit van 19 januari 2016 is tegemoetgekomen aan appellante in die zin dat appellante met het hoger beroep – zelfs als zij gelijk zou hebben met haar stelling dat ook in de FML van 18 januari 2016 haar beperkingen niet juist zijn weergegeven – geen hogere mate van arbeidsongeschiktheid kan bereiken dan de mate van 80 tot 100% die door het Uwv bij dat besluit is vastgesteld. De FML van 29 november 2012 is niet aan het besluit van 19 januari 2016 ten grondslag gelegd. De omstandigheid dat appellante zich niet kan verenigen met de voor haar in de FML van 18 januari 2016 vastgelegde beperkingen is geen belang, omdat bij elke toekomstige (her)beoordeling van het recht op een WAO-uitkering de belastbaarheid van een verzekerde opnieuw wordt vastgesteld en daarbij geen doorslaggevende betekenis toekomt aan een eerder vastgestelde belastbaarheid.

4.4.

Een belang van appellante bij de beoordeling van het besluit van 19 januari 2016 is wel gelegen in het de omstandigheid dat haar kosten in bezwaar niet volledig zouden zijn vergoed. Het besluit wordt daarom in de beoordeling in hoger beroep betrokken.

4.5.

Psychiater dr. L. Timmerman heeft appellante voor zijn psychiatrische expertise een bedrag van € 638,28 in rekening gebracht. Het Uwv heeft de toegekende vergoeding van
€ 406,32 berekend met toepassing van artikel 2, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor het toekennen van een hogere vergoeding, zoals appellante heeft verzocht, bestaat daarom geen aanleiding.

4.6.

Het beroep tegen het besluit van 19 januari 2016 zal ongegrond worden verklaard.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante in beroep en hoger beroep. De kosten van verleende rechtsbijstand worden begroot op € 992,- in beroep en op
€ 1.240,- in hoger beroep. De reiskosten van appellante voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank worden begroot op € 17,96 en voor het bijwonen van de zitting van de Raad op
€ 31,58. De totale proceskostenveroordeling is € 2.281,54.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 mei 2013;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2016 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.281,54;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) P. Boer

SS