Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
15-3727 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3727 ZW

Datum uitspraak: 7 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 april 2015, 14/5420 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Ilkdogan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ilkdogan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft gewerkt als voltijds administratief medewerkster. Haar dienstverband is op 11 maart 2013 beëindigd. Appellante heeft zich op 9 juli 2013 ziek gemeld met reumatische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 19 mei 2014 heeft zij het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante per 19 mei 2014 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van administratief medewerkster. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2014 vastgesteld dat appellante vanaf die datum geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 21 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juli 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende rekening hebben gehouden met haar beperkingen en dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante twee brieven van reumatoloog S.W. Kadir van 15 juli 2015 en 8 september 2016 overgelegd. Kadir heeft te kennen gegeven dat appellante bij hem onder controle is in verband met een polyartritis en polytenosynovitis van met name flexorpezen van de handen en voeten beiderzijds en dat de werkdiagnose een systematische inflammatoire reumatische huidziekte is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verder aangevoerd dat bij MRI-onderzoek in Turkije de diagnoses scoliose en spondylartritis zijn gesteld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar een rapport van 28 augustus 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat het dossier is bestudeerd, dat appellante is onderzocht, dat informatie van de behandelend sector bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante is meegewogen en dat daarover op inzichtelijk wijze is gerapporteerd.

4.3.

Uit het dossier blijkt dat de verzekeringsarts, voordat appellante op zijn spreekuur is verschenen, informatie heeft ingewonnen bij de toenmalig behandelend reumatoloog

S.A. Vreugdenhil. Vreugdenhil heeft gesteld dat de reumatoïde artritis in remissie is en dat op foto’s geen erosieve afwijkingen van de handen en voeten worden waargenomen. De verzekeringsarts heeft vervolgens op het spreekuur lichamelijk onderzoek verricht aan nek, rug en handen van appellante. In zijn rapport van 20 mei 2014 heeft hij daarover vermeld dat de geclaimde rugklachten niet kunnen worden geobjectiveerd en dat geen afwijkingen van handen en voeten worden waargenomen.

4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen en het standpunt van de verzekeringsarts onderschreven, waarbij hij heeft betrokken dat met de klachten en beperkingen door reumatoïde artritis kenbaar rekening is gehouden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar en overtuigend uiteengezet dat de ingebrachte informatie van reumatoloog Kadir niet bij de beoordeling kan worden betrokken, omdat deze van ver na de datum in geding is. Daarbij heeft hij toegelicht dat het mogelijk is dat de medische situatie van appellante verslechterd is ten opzichte van de situatie ten tijde van de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder navolgbaar gesteld dat de diagnoses forse scoliose en spondylartitis niet als zodanig in het MRI-verslag staan vermeld. Daarbij is bovendien op begrijpelijke wijze toegelicht dat degeneratie bij beeldvormend onderzoek lang niet altijd klinische betekenis heeft. Geconcludeerd wordt daarom dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, onvoldoende is om het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van

N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) N. Veenstra

UM