Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
15/2455 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terechte afwijzing aanvraag om een woonvoorziening in de vorm van een traplift en een tweede toilet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2455 WMO, 15/2456 WMO

Datum uitspraak: 7 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 maart 2015, 14/301 en 14/6487 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.W.F. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingediend en enkele vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2016. Namens appellante is verschenen mr. Jansen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om het college in de gelegenheid te stellen een nader medisch onderzoek te laten verrichten.

Bij brief van 1 juni 2016 heeft het college de resultaten van dat onderzoek meegedeeld en vermeld tot welke conclusies dat leidt. Van de zijde van appellante is daarop gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ondervindt beperkingen als gevolg van gewrichtsklachten, een hartklepafwijking en psychische problemen. In 2006 is appellante verhuisd van een gelijkvloerse woning met lift naar een eengezinswoning met een inpandige trap. Na een val van de trap in maart 2013 heeft appellante op 23 mei 2013 bij het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een aanvraag ingediend om een woonvoorziening in de vorm van, voor zover hier van belang, een traplift en een toilet.

1.2.

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft het college, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de aanvraag van appellante afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 11 december 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college de in artikel 4, aanhef en onder d, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2011 (Verordening), genoemde weigeringsgrond ten grondslag gelegd. Verder is er geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.

1.4.

Appellante heeft op 17 februari 2014 bij het college op grond van de Wmo een aanvraag ingediend om een woonvoorziening in de vorm een tweede toilet en een traplift.

1.5.

Bij besluit van 14 maart 2014 heeft het college de aanvraag voor een tweede toilet afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat hij recent aan appellante een woonvoorziening in de vorm van een toiletstoel heeft verstrekt.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van 14 maart 2014 heeft het college, onder verwijzing naar artikel 4, aanhef en onder d, van de Verordening, de aanvraag voor een traplift afgewezen.

1.7.

Bij besluit van 15 augustus 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 14 maart 2014 ongegrond verklaard. Het college heeft geoordeeld dat de aanvragen afgewezen hadden moeten worden met toepassing van artikel 4:6 van de Awb.

2. Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De hoger beroepsgronden van appellante zien op het oordeel van de rechtbank over de toepassing van artikel 4, aanhef en onder d, van de Verordening en artikel 4:6 van de Awb.

3.2.

Ter zitting heeft appellante verklaard haar hoger beroepsgronden tegen bestreden besluit 2, voor zover deze zien op het afwijzen van haar aanvraag voor een tweede toilet, niet te handhaven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag als hier aan de orde bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot de datum van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van

23 mei 2013 tot 11 december 2013 voor bestreden besluit 1 en van 17 februari 2014 tot

15 augustus 2014 voor bestreden besluit 2.

4.2.

Artikel 4 van de Wmo verplicht het college aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen, voor zover hier van belang, in staat te stellen zich te verplaatsen in en om de woning.

4.3.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Rotterdam uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening.

4.4.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening kan een persoon aanspraak maken op een individuele voorziening op grond van deze verordening, voor zover deze langdurig noodzakelijk is om zich te verplaatsen in en om de woning.

4.5.

Op grond van artikel 4, aanhef en onder d, van de Verordening kent het college, onverlet bijzondere individuele omstandigheden, in ieder geval geen individuele voorziening toe op grond van deze verordening als de noodzaak van de voorziening het gevolg is van het niet adequaat inspelen op de beperkingen en de als gevolg hiervan te verwachten of al aanwezige belemmeringen bij de persoon.

4.6.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.7.

Het college heeft de bij bestreden besluit 1 gehandhaafde afwijzing van de aanvraag gebaseerd op artikel 4, aanhef en onder d, van de Verordening. De bij bestreden besluit 2 gehandhaafde afwijzing van de aanvraag heeft het college gebaseerd op artikel 4:6 van de Awb.

4.8.

Het college heeft ter zitting van de Raad te kennen gegeven alsnog een medisch onderzoek te willen verrichten. In dat kader hebben medisch adviseur B.O. Grunefeld en de teammanager Vraagwijzer en Wijkteams IJsselmonde appellante op 26 mei 2016 thuis bezocht. Grunefeld heeft in een rapportage van diezelfde dag haar bevindingen vermeld.

4.9.

Bij brief van 1 juni 2016 heeft het college geconcludeerd dat, gelet op het medisch onderzoek van 26 mei 2016, geen noodzaak bestaat voor het plaatsen van een traplift. Onder verwijzing naar artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening, heeft het college de Raad verzocht zelf in de zaak te voorzien in die zin dat de aanvragen om een traplift worden afgewezen omdat geen noodzaak voor de voorziening bestaat. Het voorgaande betekent dat het college na onderzoek de afwijzingsgronden waarop de bestreden besluiten berusten niet langer handhaaft. Gelet hierop behoeven de onder 3.1 weergegeven hoger beroepsgronden geen verdere bespreking.

4.10.

Uit wat is overwogen in 4.7 tot en met 4.9 moet worden afgeleid dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid en niet berusten op een deugdelijke grondslag, zodat deze besluiten in strijd zijn met artikel 7:12 van de Awb. Bezien zal worden of met toepassing van artikel 6:22 van de Awb de bestreden besluiten in stand kunnen worden gelaten.

4.11.

De medisch adviseur Grunefeld heeft in haar rapportage van 26 mei 2016 vastgesteld dat appellante ten gevolge van medische problematiek stoornissen heeft in het belasten van haar benen en rug en in het leveren van zware inspanningen. Grunefeld heeft geconcludeerd dat appellante ten gevolge van deze medische problematiek in enige mate beperkingen ondervindt bij het traplopen, maar dat zij wel in staat is om gebruik te maken van de trap. Grunefeld is tot deze conclusie gekomen na te hebben geobserveerd dat appellante de smalle, vrij steile, trap naar de eerste verdieping met een leuning aan de rechterkant, naar boven liep in een rustig tempo zonder onderbrekingen. Appellante zette de eerste treden haar voet bij (aansluitpas) maar vanaf halverwege de trap liep zij normaal alternerend verder. Appellante was daarna licht buiten adem. De ademhaling was snel weer hersteld. Grunefeld heeft geobserveerd dat appellante de trap af liep in een rustig tempo zonder onderbrekingen. Appellante heeft Grunefeld meegedeeld dat zij op deze wijze tien tot vijftien maal per dag de trap op en af loopt.

4.12.

Appellante heeft de Raad desgevraagd bericht dat de brief van 1 juni 2016 van het college en de daarbij gevoegde rapportage van 26 mei 2016 van medisch adviseur Grunefeld haar geen aanleiding geeft tot op- en aanmerkingen. Appellante heeft daarmee de bevindingen en conclusies uit het medisch onderzoek van 26 mei 2016 dat zij ondanks haar beperkingen in staat is de inpandige trap in haar woning een aantal malen per dag op en af te lopen, niet weersproken. Evenmin heeft zij gesteld dat haar medische situatie in de te beoordelen perioden niet overeenkomt met de bevindingen en conclusies uit het medische onderzoek van 26 mei 2016.

4.13.

Wat is overwogen in 4.11 en 4.12 betekent dat het college terecht de aanvragen om een woonvoorziening in de vorm van een traplift heeft afgewezen. Omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet wordt benadeeld zullen de bestreden besluiten ondanks de hiervoor genoemde schending met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand worden gelaten. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, met verbetering van de gronden omdat de rechtbank zelf geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.984,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep, in totaal een bedrag van € 2.976,-. Voor vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten bestaat geen aanleiding omdat de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, omschreven situatie dat de primaire besluiten zijn herroepen, zich hier niet voordoet.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.976,-;

  • -

    bepaalt dat het college het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 212,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2016.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) J.W.L. van der Loo

GdJ