Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
16/1442 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken na opschorten. Hersteltermijn niet tekort. Geen verlenging gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1442 PW

Datum uitspraak: 6 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 februari 2016, 15/3901 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van den Ende, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 25 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 29 januari 2015 hebben medewerkers van het college een op 30 januari 2015 gedateerde brief op het adres van appellante bezorgd waarbij zij in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek is uitgenodigd voor een gesprek op 2 februari 2015. Hierbij moest appellante een aantal gegevens, waaronder bankafschriften, meenemen. Appellante is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

1.3.

Op 2 februari 2015 hebben medewerkers van het college een op diezelfde datum gedateerd besluit op het adres van appellante bezorgd waarbij het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op bijstand met ingang van 2 februari 2015 heeft opgeschort. Hierbij heeft het college de ontbrekende gegevens nogmaals opgevraagd, appellante uitgenodigd voor een gesprek op 5 februari 2015 en meegedeeld dat de bijstand zal worden beëindigd indien appellante onvoldoende gevolg geeft aan deze oproep. Appellante is wederom zonder bericht van verhindering niet verschenen. Zij heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het opschortingsbesluit.

1.4.

Bij besluit van 6 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 2 februari 2015 ingetrokken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

4.2.

Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.3.

Appellante heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand in rechte stand kan houden. Dit betekent dat in dit geding de vraag voorligt of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd was tot intrekking van de aan appellante verleende bijstand. Bij de beantwoording van die vraag staat ter beoordeling of appellante verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellante hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellante niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.4.

Niet in geschil is dat de op 2 februari 2015 gevraagde gegevens van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat appellante het verzuim die gegevens in te leveren niet tijdig heeft hersteld. Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of appellante daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

4.5.

Het college heeft appellante bij het op 2 februari 2015 op haar adres bezorgde opschortingsbesluit uitgenodigd voor een gesprek op 5 februari 2015 en daarbij verzocht om de gevraagde gegevens mee te nemen. Appellante heeft aangevoerd dat deze termijn “te kort [is] om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren voor een zorgvuldige voorbereiding van het besluit dat het recht op uitkering niet is vast te stellen”. De besluitvorming is om die reden onzorgvuldig. Deze grond treft geen doel. De bijstand van appellante is op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW ingetrokken omdat appellante het verzuim om de gegevens te verstrekken niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld. Voor zover appellante bedoeld heeft dat zij meer tijd nodig had om over de gevraagde gegevens te beschikken, had het op haar weg gelegen om bij het college tijdig om uitstel te vragen. Ook dat heeft appellante niet gedaan. Dit betekent dat appellante van het niet tijdig overleggen van de gevraagde gegevens een verwijt kan worden gemaakt. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik kon maken van de bevoegdheid om de bijstand van appellante per 2 februari 2015 in te trekken.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2016.

(getekend) A.M. Overbeeke

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD