Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4643

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
09-12-2016
Zaaknummer
15/4330 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een AOR uitkering toe te kennen. De beschikbare gegevens bieden onvoldoende houvast voor de conclusie dat appellante oorlogscalamiteiten in de zin van de AOR heeft meegemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4330 AOR

Datum uitspraak: 8 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

(Stb. 2014, 583), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de

- voormalige - CAOR verstaan.

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 mei 2015, kenmerk BZO1811950 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 1948 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In 2013 heeft zij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR.

1.2.

Bij besluit van 17 april 2014 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat onvoldoende bevestiging is verkregen van de door appellante meegemaakte oorlogsomstandigheden. Daarnaast is het ook onduidelijk of de door appellante genoemde gebeurtenis, te weten een overval op het ouderlijk huis, vóór 1 februari 1954 plaatsvond. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

- het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Het bestreden besluit steunt op de overweging dat uit de beschikbare gegevens naar voren komt dat appellante gepest en uitgescholden is door Indonesische kinderen, maar dat dit niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid in de zin van de AOR. Verder is de overval op het ouderlijk huis door Indonesiërs, waarbij een dode is gevallen, op zich aannemelijk geworden op basis van het interview dat de heer [naam] heeft afgenomen met de vader van appellante. De vader van appellante zat tot 1957 bij de politie, hetgeen een verklaring zou kunnen zijn van het wapenbezit en de reden van de overval. Ook is bekend dat de

Daroel Islam, als er vanuit gegaan wordt dat het deze groepering was die de inval uitvoerde, tussen 1949 en 1962 de Indonesische regering bestreed. Er zijn echter nog steeds geen objectieve bevestigingsgegevens ten aanzien van de overval. Er zijn geen getuigen meer in leven. Daarom is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van een omstandigheid in de zin van de AOR.

2.3.

De Raad volgt verweerder in dit standpunt. De beschikbare gegevens bieden onvoldoende houvast voor de conclusie dat appellante oorlogscalamiteiten in de zin van de AOR heeft meegemaakt. Buiten de eigen verklaring van appellante zijn er geen objectieve gegevens waaruit blijkt dat zij de overval op het ouderlijk huis persoonlijk heeft meegemaakt. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar deze overval. Verweerder heeft ter beoordeling van de aanvraag onderzoek verricht in de ter beschikking staande archieven. Tevens heeft verweerder het NRK aangeschreven en algemene informatie van het NIOD over Soerabaja na 1946 en het dossier van appellantes vader in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 geraadpleegd. Evenmin bestaat grond voor de conclusie dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten naar het onder 2.2 genoemde interview, omdat het door appellante overgelegde verslag van dit interview zeer uitgebreid en gedetailleerd is. Weliswaar is op grond van het verslag aannemelijk dat de overval heeft plaatsgevonden, maar daaruit blijkt niet of de overval vóór 1 februari 1954 heeft plaatsgevonden en of appellante daarbij aanwezig is geweest. Ten slotte kunnen de door appellante beschreven pesterijen niet worden aangemerkt als oorlogscalamiteiten in de zin van de AOR. De AOR heeft een beperkte strekking in die zin dat sprake moet zijn geweest van in die regeling specifiek beschreven oorlogservaringen. Hoewel voorstelbaar is dat appellante de pesterijen als kind als bedreigend heeft ervaren, is geen sprake van een gebeurtenis van zodanige aard dat deze onder de werking van de AOR dient te worden gebracht.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.

(getekend) M.T. Boerlage

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD