Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
15/3066 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor studiekosten. De kosten van examens in Engeland om kwalificatie kinderarts te halen zijn geen noodzakelijke kosten voor arbeidsintegratie. Van degenen die aanspraak maken op een bijstandsuitkering kan, gelet op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, worden gevergd dat zij - met inachtneming van hun krachten en bekwaamheden - niet alleen passende maar ook algemeen geaccepteerde arbeid trachten te verkrijgen. geen strijd met artikel 26 IVBPR.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/68
USZ 2017/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3066 WWB

Datum uitspraak: 6 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 maart 2015, 14/6490 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016. Namens appellant is verschenen mr. A. Laghmouchi, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 15 april 2014 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellant heeft op 21 augustus 2014 bijzondere bijstand aangevraagd voor studiekosten. Bij besluit van 12 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2014 (bestreden besluit), heeft het college die aanvraag afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag dat de kosten waarop de aanvraag van appellant ziet geen noodzakelijke kosten zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2.

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het afleggen van enkele examens in Engeland, waarmee hij naar eigen zeggen de kwalificatie verwerft om in Nederland als kinderarts aan de slag te kunnen gaan. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze kosten niet noodzakelijk zijn met het oog op de arbeidsinschakeling van appellant. Daarbij neemt de Raad in de eerste plaats in aanmerking dat, naar zijn vaste rechtspraak (uitspraak van 12 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1036), voor personen die, zoals appellant, een opleiding op het niveau van wetenschappelijk onderwijs hebben afgerond als uitgangspunt geldt dat het al bereikte opleidingsniveau een voldoende basis vormt voor (her)inschakeling op de arbeidsmarkt. Daarnaast kan van degenen die aanspraak maken op een bijstandsuitkering, gelet op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, worden gevergd dat zij - met inachtneming van hun krachten en bekwaamheden - niet alleen passende maar ook algemeen geaccepteerde arbeid trachten te verkrijgen. De door appellant aangevoerde omstandigheden leveren geen grond op om in zijn geval van deze uitgangspunten af te wijken. De stelling van appellant dat hij geen andere mogelijkheden heeft om aan een baan te komen zonder het afleggen van voornoemde examens heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Dat appellant voorts zonder resultaat diverse pogingen heeft ondernomen om in Nederland als kinderarts te gaan werken, maakt niet dat van appellant niet mag worden verwacht dat hij tracht om naast passende arbeid ook algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Voor de vaststelling of iemand een bepaald opleidingsniveau heeft bereikt, is niet van belang of hij de opleiding in of buiten Nederland heeft gevolgd, Hierin ligt besloten dat het gewraakte onderscheid tussen personen met een wetenschappelijke opleiding afkomstig uit de Europese Unie en personen daarbuiten, wat daarvan zij, voor de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB niet relevant is en dus niet tot een ander oordeel kan leiden. Het beroep op artikel 26 van het IVBPR slaagt dus niet.

4.3.

Voor zover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat de acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid op gespannen voet staat met artikel 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 8 van het IVBPR, slaagt die beroepsgrond niet, reeds omdat hier voorligt een afwijzing van een verzoek om bijzondere bijstand voor studiekosten en er zodoende geen aspecten met betrekking tot de arbeidsinschakeling aan de orde zijn.

4.4.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de kosten als genoemd in 4.2 niet als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop behoeft de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in dat artikel geen bespreking.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en J.L. Boxum en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2016.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD