Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
12-12-2016
Zaaknummer
16/2168 PW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De beslissing dat beslag is gelegd en tot welke hoogte is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De vraag ligt voor of het bestuursorgaan bij het nemen van de betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Ten onrechte is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Opdracht tot herstel gebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2168 PW-T

Datum uitspraak: 6 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 maart 2016, 15/2712 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet.

1.2.

Bij brief van 5 november 2014 heeft het college aan appellant medegedeeld dat LAVG op 24 oktober 2014 beslag heeft gelegd op zijn bijstand. Met ingang van 1 november 2014 houdt het college elke maand 10% van de geldende bijstandsnorm in op de bijstand. Dit betreft een bedrag van € 47,58 per maand. Het college heeft daarbij meegedeeld dat indien de schuld nog niet is afgelost op het moment dat het vakantiegeld wordt uitbetaald, ook het vakantiegeld aan de beslaglegger wordt betaald.

1.3.

Bij besluit van 7 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de brief van 5 november 2014 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze brief geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en geoordeeld dat het college op juiste gronden heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de gehele beslaglegging illegaal is. Geen beslag mag worden gelegd op het vakantiegeld. Appellant kan niet rondkomen, gelet op de inhoudingen op zijn bijstand. Hij heeft het college erop gewezen dat de som van de beslaglegging overschreden is, maar hier heeft het college niets mee gedaan. Wat het college te veel heeft uitgekeerd aan de beslaglegger moet per ommegaande worden terugbetaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraken van 21 december 2010,

ECLI:NL:CRVB:2010:BO9009 en 27 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4227) kan de beslagdebiteur (in dit geval appellant) bezwaren betreffende een gelegd beslag voorleggen aan de civiele rechter en is de derde-beslagene (in dit geval het college) gehouden volledig uitvoering aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen en zijn toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag.

4.2.

De brief van 5 november 2014 betreft een beslissing tot inhouding van een bedrag op de bijstand van appellant ter zake van een betaling aan een derde-beslaglegger. Dit betekent dat sprake is van een betalingsbeslissing als genoemd onder 4.1. De brief van 5 november 2014 is niet slechts een mededeling van feitelijke of informatieve aard, maar een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De brief is dan ook een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

4.3.

De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat het college geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de in bezwaar aangevoerde gronden. De Raad beschikt niet over de stukken van het beslag. Aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:108 in samenhang met artikel 8:80a van de Awb het college op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen. Bij de heroverweging van de betalingsbeslissing zal beoordeeld moeten worden of die beslissing blijft binnen het op de bijstand van appellant gelegde beslag.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.A.E. Bon

HD