Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
15/5627 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zorgvuldig medisch onderzoek. De functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5627 WIA

Datum uitspraak: 2 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 juli 2015, 15/1119 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. Hilhorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016. Appellant is verschenen en heeft verklaard dat hij geen gemachtigde meer heeft. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.M. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als onderhoudsmonteur. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft hij zich op 18 oktober 2012 ziek gemeld wegens rugklachten. Op 11 juli 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft lichamelijk onderzoek verricht en vastgesteld dat appellant beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft als gevolg van chronische rugklachten bij ziekte van Scheuermann en psychische klachten (spanningsklachten). De verzekeringsarts heeft deze beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft op basis van functieselectie vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit 31,60% bedraagt. Bij besluit van 4 september 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 16 oktober 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Bij besluit van 14 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 september 2014 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit steunt op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 november 2014 en op een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 januari 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv voor onjuist te houden. Wat appellant heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan het resultaat van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank heeft voorts de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Het Uwv heeft daarom terecht vastgesteld dat voor appellant met ingang van 16 oktober 2014 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ter zitting heeft appellant vermeld dat hij depressief was. Het gaat steeds slechter met zijn rug.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is geweest. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant op 16 oktober 2014 is terecht onderschreven. Daarbij is van belang dat deze verzekeringsarts een dossieronderzoek heeft verricht, de hoorzitting heeft bijgewoond en appellant lichamelijk heeft onderzocht. Hij heeft daarbij alle ingebrachte medische informatie, waaronder de informatie van oefentherapeut mensendieck P. Gunnink van 15 oktober 2014, huisarts A.T.F. Mulder van 23 oktober 2014 en van revalidatiearts M. Pont van 18 oktober 2012, meegewogen in zijn beoordeling. In het rapport van 4 november 2014 concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid grotendeels kan worden onderschreven. Om overmatige rugbelasting te voorkomen heeft de verzekeringsarts een nadere beperking aangenomen voor frequent buigen. Verder heeft deze verzekeringsarts de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperking voor omgang met conflicten nader omschreven, in die zin dat “face to face” contact incidenteel is toegestaan. De door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperking dat appellant is aangewezen op een voorspelbare werksituatie en dat hij niet flexibel kan inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden, onderdeel 1.9.5 van de FML, is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijderd, omdat daarvoor geen medische onderbouwing kan worden gegeven. Wat betreft de psychische klachten van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat er bij onderzoek geen aanwijzingen zijn voor een evidente, ernstige psychische stoornis. Bovenmatige verschijnselen van spanning, depressiviteit, psychomotore ontregeling, cognitieve functiestoornissen of anderszins psychisch pathologie zijn niet vastgesteld. De klachten worden geïnterpreteerd als aanpassingsproblematiek, geluxeerd door psychosociale stressoren. Met de spanningsklachten van appellant is voldoende rekening gehouden in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de primaire verzekeringsarts opgestelde FML aangepast met de FML van 6 november 2014. In hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens ingebracht die tot het oordeel moeten leiden dat hij ten tijde in geding meer beperkt was dan door de verzekeringsartsen is aangenomen.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant, gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten. Dit is met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 januari 2015 voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken op 2 december 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

NK