Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4620

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
16/5737 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5737 AW-VV, 16/5738 AW-VV

Datum uitspraak: 2 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.S. van der Landen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2016, 16/1083 en 16/1808 (aangevallen uitspraak).

Tevens heeft mr. Van der Landen een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Namens het college heeft mr. P.A. de Jong, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Landen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong, mr. J.T.M. van Doesem, advocaat, drs. P.A. Timman en drs. J.G.M. de Haan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker, 58 jaar, is vanaf 1 augustus 1989 in dienst van de gemeente Amsterdam. Met ingang van 1 januari 2009 is verzoeker geplaatst in de functie van [coördinator], [afdeling] bij het [stadsdeel]. Bij besluit van 30 mei 2011 is verzoeker met ingang van 1 juni 2011 geplaatst in de functie [medewerker A.], [afdeling], binnen het [stadsdeel].

1.2.

Bij besluit van 3 juli 2014 is de beoordeling van verzoeker over het jaar 2013 vastgesteld. Het functioneren van verzoeker is daarin beoordeeld met eindoordeel B, hetgeen inhoudt dat hij niet geheel functioneert volgens gestelde eisen. Het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 3 juli 2014 is bij besluit van 6 februari 2015 ongegrond verklaard.

1.3.

Per 1 januari 2015 is de nieuwe gemeentelijke organisatie van start gegaan en is verzoeker als functievolger geplaatst in de functie [medewerker A.] bij de [dienst] van het [cluster].

1.4.

Bij besluit van 22 mei 2015 is de beoordeling van verzoeker over het jaar 2014 vastgesteld. De eindscore is A, hetgeen inhoudt dat hij niet functioneert volgens gestelde eisen. Verzoeker heeft tegen deze beoordeling bezwaar gemaakt.

1.5.

Het college heeft op 9 juni 2015 zijn voornemen kenbaar gemaakt om aan verzoeker ontslag te verlenen, primair vanwege verstoorde verhoudingen op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) en subsidiair vanwege ongeschiktheid anders dan door ziekte of gebreken, op grond van artikel 12.12, aanhef en onder a, van de NRGA. Na de schriftelijke zienswijze van verzoeker heeft het college bij besluit van 28 juli 2015 hem overeenkomstig het voornemen ontslag verleend met ingang van 15 oktober 2015. De ontslagdatum is bij besluit van 24 november 2015 gewijzigd in 3 november 2015.

1.6.

Bij besluit van 8 januari 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het beoordelingsbesluit van 22 mei 2015 ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker in 2014 er niet in is geslaagd om sturing te geven en tot realisatie te komen van de hem opgedragen projecten. Het gebrek aan functioneren van verzoeker ligt mede in zijn gebrek aan communicatieve vaardigheden, en verzoeker heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod om een cursus communicatieve vaardigheden te volgen. Het college heeft tevens overwogen dat verzoeker terecht is beoordeeld op de functie [medewerker A.] met werknaam Projectmanager waarop hij met ingang van 1 juni 2011 is geplaatst.

1.7.

De bezwaren van verzoeker tegen de besluiten van 28 juli 2015 en 24 november 2015 met betrekking tot zijn ontslag heeft het college bij besluit van 5 februari 2016 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de problemen in verzoekers functioneren voor een groot deel zijn terug te voeren op verstoorde arbeidsverhoudingen met de diverse leidinggevenden en collega’s. Vanaf 2012 heeft verzoeker stelselmatig geweigerd te accepteren dat hij is aangesproken op de uitvoering van zijn werkzaamheden, waarbij hij eigengereid te werk gaat, het gezag van zijn leidinggevende nadrukkelijk niet heeft erkend en hij het gesprek over zijn functioneren uit de weg is gegaan. In plaats van zelf ook met oplossingsvoorstellen te komen is verzoeker steeds de discussie aangegaan over zijn takenpakket en over incidenten uit het verleden. Hierdoor is volgens het college een situatie ontstaan waarin niet langer kan worden gevergd dat het dienstverband met verzoeker wordt voortgezet. Uitzicht op herstel van de verstoorde relatie is er volgens het college niet.

2. De rechtbank heeft de beroepen van verzoeker tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn spoedeisend belang aangevoerd dat hij gelet op de gangbare doorlooptijd van procedures bij de Raad nog lange tijd zal moeten wachten totdat er onherroepelijk duidelijkheid komt over zijn arbeidssituatie. Zijn financiële situatie is verslechterd nu hij sinds zijn ontslag een WW-uitkering ontvangt waardoor hij maandelijks

€ 1000,- netto aan inkomsten derft. Verzoeker heeft tevens gesteld dat het steeds moeilijker wordt om weer effectief en met behoud van zijn netwerk aan de slag te kunnen gaan, waarbij hij van belang acht dat hij altijd werkzaam is geweest op hoog niveau en in een gecompliceerd krachtenveld met meerdere stakeholders. De negatieve impact die dit ontslag heeft op zijn reputatie zal steeds groter worden. Voor verzoeker is het daarom essentieel dat hij in staat wordt gesteld ter zake doende werkzaamheden binnen de gemeente te blijven verrichten. Het arbeidsmarktperspectief van verzoeker is met inachtneming van zijn leeftijd zeer slecht, na een langjarig werkzaam leven binnen de gemeente. Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter te bepalen dat het ontslag wordt geschorst, met toelating tot de werkzaamheden en doorbetaling van salaris.

3.3.

Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij maandelijks een WW-uitkering ontvangt van ongeveer € 1.850,- netto of € 3.000,- bruto, dat zijn hypothecaire lasten maandelijks ongeveer € 800,- met inachtneming van belastingaftrek bedragen en dat hij een alimentatieverplichting heeft van € 357,- per maand. Daarnaast heeft hij advocaatkosten. Verzoeker leent geld om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Als de gevraagde voorziening niet wordt getroffen, zal hij een verzoek moeten indienen om de alimentatie te herzien.

3.4.

Ter onderbouwing van zijn financiële spoedeisende belang heeft verzoeker geen gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zijn financiële situatie als gevolg van de achteruitgang van zijn inkomen thans nijpend is. Verzoeker ontvangt sinds zijn ontslag een vast inkomen en hij heeft mogelijkheden om zijn uitgaven, zoals de alimentatieverplichting, aan te passen aan het niveau van zijn inkomen. Daarmee acht de voorzieningenrechter op voorhand niet aannemelijk dat verzoeker indien de gevraagde voorlopige voorziening niet wordt getroffen, in een situatie van financiële nood geraakt, zeker indien daarbij nog in aanmerking wordt genomen dat de behandeling van de hoofdzaak naar verwachting binnen enkele maanden zal kunnen plaatsvinden. Onder deze omstandigheden is thans geen sprake van een voldoende financiële spoedeisendheid. Vergelijk de uitspraak van 15 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4218.

3.5.

Evenmin is een spoedeisend belang gelegen in hetgeen door verzoeker is aangevoerd met het oog op de negatieve gevolgen die het wachten op de behandeling van het hoger beroep heeft voor zijn werkzaamheden. Een dergelijk belang zou aanwezig zijn als bijvoorbeeld opgebouwde kennis en vaardigheden door een onderbreking van zijn werkzaamheden verloren zouden gaan. Vergelijk de uitspraak van 20 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6567. De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat het wachten op de uitspraak in de bodemzaak zodanig nadelig is voor de uitvoering van de werkzaamheden, zijn reputatie of de opgebouwde contacten dat de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht en het ontslag zou moeten worden geschorst. Bovendien, zo heeft het college toegelicht, zal schorsing van het ontslag er niet toe leiden dat verzoeker terugkeert op de projecten waar hij werkzaam was, omdat hij al eerder van die projecten was gehaald en verzoeker dus bij hervatting van werkzaamheden met andere contacten te maken zal krijgen.

3.6.

Dat de leeftijd van verzoeker en zijn langdurige dienstverband bij de gemeente van invloed kunnen zijn op zijn positie op de arbeidsmarkt acht de voorzieningenrechter aannemelijk, maar dat betekent niet, ook niet in onderling verband met hetgeen hiervoor is overwogen, dat thans sprake is van een situatie van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening omdat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

3.7.

Uit 3.1 tot en met 3.6 volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening reeds op die grond moet worden afgewezen.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.S. Spek

JL