Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4613

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
15/3751 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De beperkingen ten gevolge van de psychische klachten in de FML zijn juist neergelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3751 WIA

Datum uitspraak: 30 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudig kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

26 mei 2015, 14/3514 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster voor 23 uur per week. Op 19 april 2010 heeft zij zich ziek gemeld in verband met klachten na een enkelbreuk links. Met ingang van 16 april 2012 is appellante in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van haar arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Met ingang van
16 januari 2013 is de uitkering voorgezet als WGA-loonaanvullingsuitkering.

1.2.

Bij brief van 15 juli 2013 heeft appellante melding gedaan van verslechtering van haar gezondheid en het Uwv verzocht om haar in aanmerking te brengen voor een IVA-uitkering. Daarbij heeft zij melding gemaakt van psychische klachten. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 februari 2014 de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bepaald op 100%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Volgens appellante is haar volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam, zodat zij in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

1.3.

In de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen aanleiding is de vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. Wel heeft hij in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een correctie aangebracht bij item 3.8. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat het opleidingsniveau ten onrechte is bepaald op 1, omdat de door appellante gevolgde opleidingen indeling in opleidingsniveau 2 rechtvaardigen. Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende voor appellante passend geachte functies geselecteerd, de mate van haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0% en deze vaststelling na heroverweging gehandhaafd.

1.4.

Bij beluit van 6 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en vastgesteld dat appellante met ingang van
7 december 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

1.5.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In de fase van het beroep is appellante op verzoek van het Uwv onderzocht door psychiater J.H.M. van Laarhoven. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van
12 februari 2015, en eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML op 3 maart 2015 gewijzigd, waarbij meer beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen en werktijden. Met inachtneming van de aangepaste FML heeft de arbeidsdeskundige twee geselecteerde functies geschrapt. Omdat er nog drie geschikte functies resteren is de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd 0% gebleven.

2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is. Op grond van de beschikbare gegevens ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv appellantes beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek heeft onderschat. Appellante heeft geen relevante nieuwe medische informatie overgelegd die aanleiding geeft om aan de juistheid van de medische beoordeling en de FML van 3 maart 2015 te twijfelen. Voor het inschakelen van een deskundige ziet de rechtbank geen aanleiding.

2.2.

Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de geduide functies voor appellante niet geschikt zijn. De zogeheten signaleringen zijn voorzien van een afdoende adequate toelichting. Ook overigens heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

2.3.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep ongegrond verklaard. In de omstandigheid dat de FML in beroep is aangepast, heeft de rechtbank aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht.

3.1.

Appellante is van de aangevallen uitspraak in hoger beroep gekomen voor zover de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard. Zij heeft haar standpunt dat het onderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest, gehandhaafd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was niet aanwezig op de tweede hoorzitting in bezwaar. De door het Uwv ingeschakelde psychiater heeft geen vragen gesteld over haar psychische problemen. Voorts kan appellante zich niet vinden in de door het Uwv vastgestelde beperkingen. Met name acht zij de beperkingen ten gevolge van haar psychische klachten onderschat.

3.2.

Het Uwv heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juli 2015, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan de orde is de gezondheidssituatie van appellante met ingang van 7 december 2014. Punten van geschil zijn de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek dat aan de schatting ten grondslag ligt en de omvang van de beperkingen ten gevolge van de psychische klachten.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht wordt onderschreven. Daartoe wordt overwogen dat de verzekeringsarts het dossier heeft bestudeerd, bij appellante een lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht en bij zijn beoordeling de verkregen informatie van de behandelend sector heeft betrokken. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, waaronder de door appellante in bezwaar ingebrachte medische informatie. Hij was aanwezig op de eerste hoorzitting en heeft appellante toen bevraagd over haar klachten en behandelingen. Op zijn verzoek heeft in de beroepsfase een psychiatrische expertise plaatsgevonden en in de resultaten van dit onderzoek heeft de verzekeringsarts aanleiding gezien zijn oordeel over de belastbaarheid van appellante aan te passen. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, alhoewel hij niet aanwezig was op de tweede hoorzitting, de – uitvoerige – verslaglegging daarvan kenbaar in zijn rapport van 3 oktober 2014 betrokken. Bovendien heeft hij tijdens de derde hoorzitting, gehouden naar aanleiding van de resultaten van de psychiatrische expertise door Van Laarhoven, appellante uitvoerig bevraagd over haar psychische klachten en de behandelingen die zij daarvoor heeft ondergaan. Wat betreft de kritiek op het onderzoek door Van Laarhoven heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 juli 2015 terecht gewezen op paragraaf III D ‘Psychiatrisch onderzoek’ van het rapport van Van Laarhoven van

12 februari 2015, waarin onder meer de klachten en problemen van appellante zijn beschreven en een psychiatrisch onderzoek in engere zin is verricht.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen ten gevolge van de psychische klachten in de FML van 3 maart 2015 juist zijn neergelegd, wordt eveneens onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft psychiater Van Laarhoven gevolgd in diens vaststelling dat op datum in geding bij appellante sprake was van een chronische aanpassingsstoornis met depressieve stemming en dat beperkingen in vitale energie, concentratie en emotionele stabiliteit aannemelijk is. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze conclusies vertaald in de FML van 3 maart 2015 en aanvullende beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren en arbeidstijden. Op grond van de beschikbare medische gegevens kan niet worden vastgesteld dat bij appellante ten gevolge van haar psychische klachten te weinig beperkingen zijn aangenomen. Appellante heeft in hoger beroep met betrekking tot haar klachten geen nieuwe medische feiten naar voren gebracht. Evenmin heeft zij haar standpunt dat zij meer en zwaarder beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, onderbouwd met een nieuw medisch rapport. Het verslag van haar behandelaar van 28 oktober 2014, waarnaar appellante in hoger beroep verwijst, is door
Van Laarhoven reeds betrokken bij zijn beoordeling. Bovendien heeft de behandelaar in een aan de gemachtigde van appellante gericht e-mailbericht van 22 maart 2015, dat zich bevindt onder de processtukken van de rechtbank, meegedeeld geen aanvullingen/wijzigingen te hebben op de psychiatrische expertise.

4.4.

De overwegingen 4.1, 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) N. Veenstra

SS