Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4598

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
15/309 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Melding van 2 september 2013 is terecht niet als herzieningsverzoek in de zin van artikel 4:6 van de Awb opgevat. Rechtbank heeft op goede gronden medische grondslag bestreden besluit onderschreven en beroepsgronden afdoende besproken. Rechtbank terecht afgezien van raadplegen onafhankelijke deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/309 WIA

Datum uitspraak: 2 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 december 2014, 14/3933 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Uitzendbureau Werkt B.V. (derde belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groeneweg en M. Chibiane, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 8 februari 2010 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als conciƫrge met klachten van de schouders en nek, alsmede hoofdpijn, misselijkheid, knieklachten en radiculaire klachten. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 13 april 2012 vastgesteld dat over de periode 6 februari 2012 tot 29 september 2013 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 49,27%. Bij besluit van 17 oktober 2012 werd het bezwaar gericht tegen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid ongegrond verklaard, wat in beroep werd bevestigd. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Bij besluit van 20 juni 2013 is appellant met ingang van 29 september 2013 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering.

1.3.

Bij een formulier, gedateerd 2 september 2013, heeft appellant het Uwv vanwege toegenomen klachten verzocht om een herkeuring. De gezondheidssituatie is volgens appellant met ingang van 25 maart 2012 gewijzigd. In de toelichting heeft appellant te kennen gegeven dat sinds een jaar de klachten van staan, lopen, schouders en de hernia in nek en rug zijn toegenomen.

1.4.

Na een medisch onderzoek op 13 november 2013 heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat de beperkingen van appellant niet zijn toegenomen, waarna appellant bij besluit van
28 november 2013 in kennis is gesteld dat de WIA-uitkering niet wijzigt.

1.5.

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat zijn klachten als gevolg van een dubbele hernia zijn verergerd, op grond waarvan hij niet in staat is om duurzaam arbeid te verrichten. De klachten houden verband met een auto-ongeval in 2010 waardoor appellant post-whiplash klachten heeft ontwikkeld die niet adequaat zijn gediagnosticeerd en behandeld. Na de hoorzitting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep desgevraagd informatie van de orthopedisch chirurg, de neuroloog en van de revalidatiearts verkregen. Nadat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beoordeling had bevestigd, heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 22 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. In beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat de neuroloog in de brief van
30 juli 2013 melding heeft gemaakt van een lage hernia. Verder is aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte stelt dat de klachten van appellant niet consistent en plausibel zouden zijn. Een in 2008 verschenen Richtlijn Lumbosacraal Radiculair Syndroom is meegestuurd. Bij brief van 14 oktober 2014 heeft de gemachtigde van appellant verzocht om raadpleging van een onafhankelijke deskundige. Ter zitting bij de rechtbank heeft appellant aangevoerd dat zijn melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid moet worden gezien als een verzoek om terug te komen van het besluit van 17 oktober 2012.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de melding van appellant niet een verzoek behelsde om terug te komen van het besluit van 17 oktober 2012. Of al dan niet sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank dan ook niet beoordeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De rechtbank ziet in de medische rapporten van de verzekeringsartsen geen inconsistenties en acht de gestelde toename onvoldoende overtuigend onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen te twijfelen en wijst het verzoek om raadpleging van een onafhankelijke deskundige af.

4. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat met de informatie van de revalidatiearts de gestelde toename van de beperkingen voldoende is onderbouwd. Voor zover daar nog twijfel over zou bestaan, zou dat juist reden moeten zijn een onafhankelijke deskundige te raadplegen.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de melding van 2 september 2013 niet als een herzieningsverzoek in de zin van artikel 4:6 van de Awb kan worden opgevat.

5.3.

Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling heeft de rechtbank op goede gronden de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. In de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden voor een duidelijke toename van de klachten na maart 2012. Dat de actuele medische situatie van appellant ter zitting door de gemachtigde van appellant als zeer ernstig is gekwalificeerd, maakt de beoordeling niet anders, nu deze procedure betrekking heeft op de medische situatie van appellant van maart 2012 tot datum melding van de verslechtering, september 2013. In wat namens appellant is aangevoerd wordt dan ook geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de beoordeling door het Uwv te twijfelen. Verder heeft de rechtbank kunnen afzien van het raadplegen van een onafhankelijke deskundige en ziet de Raad daartoe evenmin aanleiding.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2016.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) A.M.C. de Vries

NK