Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
14/2179 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:1485, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht schadevergoeding geweigerd. Het Uwv had, achteraf bezien, niet tot het opleggen van een maatregel mogen overgaan. Onrechtmatig besluit. De door appellant geclaimde materiële schade is vergoed met de in het nabetaalde bedrag begrepen vergoeding van wettelijke rente over de nabetaalde ZW-uitkering. Geen sprake van geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW. Immateriële schadevergoeding terecht geweigerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Ziektewet
Ziektewet 29g
Ziektewet 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2016/81 met annotatie van C.N.J. Kortmann
SZR-Updates.nl 2016-0101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2179 WIA

Datum uitspraak: 3 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 maart 2014, 13/5368 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te Turkije (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was via een uitzendbureau werkzaam als vrachtwagenchauffeur. Hij is op

21 oktober 2011 wegens ziekte uitgevallen. Het Uwv heeft appellant met ingang van 24 oktober 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Ten behoeve van de re-integratie van appellant is een re-integratieplan opgesteld. Omdat appellant zich volgens het Uwv niet hield aan de daarin opgenomen afspraken heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant bij besluit van 11 februari 2013 bij wijze van maatregel gekort met 50% over de periode van 11 februari 2013 tot en met 10 juni 2013. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen bij besluit van 18 april 2013. Ook hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3.

Na advies te hebben ingewonnen van een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv bij besluit van 6 juni 2013 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 februari 2013 gegrond verklaard. Het besluit van 11 februari 2013 is ingetrokken en aan appellant zijn de kosten vergoed die hij in de bezwaarprocedure heeft gemaakt. Bij besluit van 11 juni 2013 is aan appellant een nabetaling toegekend van € 4.237,25.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 16 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 april 2013 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet gehouden is tot vergoeding van eventuele schade als gevolg van het besluit van 11 februari 2013, omdat dat besluit slechts uit coulance is ingetrokken en daarom niet onrechtmatig was. Subsidiair heeft het Uwv gesteld dat de door appellant geclaimde materiële schade is vergoed met de in het nabetaalde bedrag begrepen vergoeding van wettelijke rente over de nabetaalde ZW-uitkering, en dat geen aanleiding bestaat tot vergoeding van immateriële schade, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt, noch heeft onderbouwd dat hij zodanig heeft geleden onder het besluit van

11 februari 2013, dat sprake was van geestelijk letsel dat beschouwd kan worden als een aantasting van zijn persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de herroeping van de maatregel door het Uwv uitsluitend is gegrond op gewijzigde omstandigheden, te weten eerst in bezwaar bekend geworden informatie over appellants gezondheidstoestand op dat moment, en dat daarom niet kan worden gezegd dat het Uwv met het besluit van 11 februari 2013 onrechtmatig heeft gehandeld. Voor het toekennen van schadevergoeding naar aanleiding van dat besluit bestond daarom naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats betoogd dat het Uwv ten onrechte een maatregel aan hem heeft opgelegd. Hij heeft in dit verband gesteld dat hij in de periode waarin hij zijn re-integratieverplichtingen niet zou zijn nagekomen verzwakt, suf en heel moe was als gevolg van toen nog niet ontdekte longkanker, maar dat het Uwv zijn klachten niet serieus heeft genomen. Appellant heeft verder gesteld dat hij de afspraken waarop hij volgens het Uwv niet is verschenen, alle heeft afgebeld omdat hij op die dagen afspraken had in het ziekenhuis. Volgens appellant was het besluit van 11 februari 2013 wel degelijk onrechtmatig, nu de intrekking daarvan niet uit louter coulance is geschied, maar omdat hem het voordeel van de twijfel is gegeven ten aanzien van het hem verweten gedrag. Daarmee heeft het Uwv naar de mening van appellant erkend dat de besluitvorming onjuist is geweest. De door appellant geclaimde schade betreft, naar ter zitting is gebleken, de kosten van het inschakelen van een advocaat en van het naar Turkije laten overkomen van zijn moeder en zijn zus voor zijn verzorging, alsmede uit psychische schade ten gevolge van het volledig van slag zijn door de intimiderende en bedreigende houding van het Uwv. Deze immateriële schade is door appellant begroot op € 1.500,-.

3.2.

Het Uwv heeft zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 29g, eerste lid, van de ZW is de verzekerde die ziekengeld ontvangt verplicht in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen. In het tweede lid, aanhef en onder e, van dit artikel is bepaald dat de verzekerde die ziekengeld ontvangt in ieder geval verplicht is te voldoen aan de verplichtingen die zijn opgenomen in het plan van aanpak en het

re-integratieplan. Op grond van artikel 45, eerste lid, van de ZW, voor zover van belang, weigert het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend indien de verzekerde een hem op grond van artikel 29g opgelegde verplichting niet nakomt. In artikel 45, tweede lid, van de ZW is onder meer bepaald dat van het opleggen van een maatregel in elk geval wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.1.2.

Uit deze bepalingen volgt dat een maatregel slechts kan worden opgelegd indien de betrokkene enig verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van een aan hem opgelegde verplichting. Omdat het opleggen van een maatregel een belastend besluit is rust de bewijslast van de overtreding en van de verwijtbaarheid op het Uwv.

4.2.

Het bestreden besluit betreft een zelfstandig schadebesluit, te weten de weigering van het Uwv appellant de schade te vergoeden die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het besluit van 11 februari 2013 tot het opleggen van een maatregel. Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit wordt aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Dat brengt met zich dat voor schadevergoeding slechts plaats kan zijn indien sprake is van een onrechtmatig besluit. In gevallen waarin een besluit na bezwaar wordt ingetrokken, geldt niet zonder meer dat het ingetrokken besluit onrechtmatig is. Of daarvan sprake is hangt af van de redenen die tot intrekking hebben geleid en van de omstandigheden waaronder dat besluit tot stand is gekomen (zie het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2087).

4.3.

Met betrekking tot de vraag of het bij besluit van 6 juni 2013 ingetrokken besluit van

11 februari 2013 onrechtmatig is geweest wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Het besluit van 6 juni 2013 is gebaseerd op een advies van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 mei 2013. Het Uwv heeft gesteld geen aanleiding te zien dat advies niet over te nemen. Voor zover hier van belang staat in het advies het volgende:

6. Heroverweging / beschouwing:

(…)

Alles overwegende ben ik van mening dat de visie van de primaire verzekeringsarts niet gevolgd kan worden.

In bezwaar komen er nieuwe medische gegevens naar voren. Betrokkene is bekend met een kleincellig longcarcinoom en wordt daarvoor behandeld. Uit in bezwaar opgevraagde, aanvullende, informatie komt ondanks de vraagstelling niet naar voren hoe lang betrokkene al klachten heeft en vanaf wanneer hij onder behandeling is.

(…)

Al met al is niet helemaal terug te redeneren of betrokkene op de momenten waarop hij niet verschenen is op afspraken, hij daar als gevolg van het longcarcinoom ook niet toe in staat was. (…)

Gezien de ontwikkelingen daarna, waarbij er een ernstig ziektebeeld is vastgesteld, en de termijn waarin de sanctie is opgelegd (…) is het niet redelijk deze maatregel in stand te laten.

(…)

8. Conclusie:

Het is niet helemaal duidelijk of van belanghebbende verwacht mocht worden dat hij zich aan de afspraken hield die zijn gemaakt met Fourstar en in het re-integratieplan. Gezien het huidige ziektebeeld kan dit echter niet meer verwacht worden in de termijn waarover betrokkene een maatregel opgelegd heeft gekregen.”

4.3.2.

Met de door het Uwv overgenomen conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat het niet helemaal duidelijk is of van appellant verwacht mocht worden dat hij zich aan de afspraken hield die zijn gemaakt met Fourstar en in het re-integratieplan, is in feite in twijfel getrokken of appellant ten tijde van het niet nakomen van de opgelegde verplichting van die niet-nakoming een verwijt kon worden gemaakt. Gelet daarop had het Uwv, achteraf bezien, niet tot het opleggen van een maatregel mogen overgaan. Het besluit van 11 februari 2013 moet daarom als onrechtmatig worden aangemerkt.

4.4.1.

Met de geconstateerde onrechtmatigheid is de schuld van het Uwv in beginsel een gegeven en is het Uwv op die grond gehouden om appellant de ten gevolge van het onrechtmatige besluit geleden schade te vergoeden. Daarvoor is vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit. Voorts komen slechts die schadeposten voor vergoeding in aanmerking, die in zodanig verband staan met het onrechtmatige besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (causaal verband). Zie de uitspraak van de Raad van 28 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0611.

4.4.2.

Voor zover appellant nog wettelijke rente heeft geclaimd wordt overwogen dat voor veroordeling van het Uwv tot vergoeding daarvan geen aanleiding bestaat, omdat de wettelijke rente over de nabetaalde ZW-uitkering is inbegrepen in het door het Uwv nabetaalde bedrag van € 4.237,25. Met het vergoeden van wettelijke rente wordt tevens alle schade die is ontstaan door vertraging in de betaling van de ZW-uitkering geacht te zijn voldaan. Er is geen aanleiding in dit geval anders te oordelen.

4.4.3.

De door appellant gevraagde vergoeding van de kosten van de door hem ingeschakelde advocaat kan evenmin worden toegewezen, omdat voor die kosten is voorzien in een afzonderlijke, in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen regeling.

4.4.4.

Wat betreft de door appellant gevorderde kosten van het naar Turkije laten overkomen van zijn moeder en zijn zus voor zijn verzorging wordt overwogen dat niet is in te zien dat die kosten in een causaal verband staan tot het onrechtmatige besluit van het Uwv van 11 februari 2013. Zij komen dan ook als zijnde onvoldoende onderbouwd niet voor vergoeding in aanmerking.

4.4.5.

Appellant heeft bij wijze van immateriële schadevergoeding een bedrag van € 1.500,- gevorderd. Ook voor de beoordeling van deze claim wordt aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (zie de uitspraak van de Raad van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0342). Daaruit blijkt dat een benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, van het BW recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien hij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Aannemelijk is dat het onrechtmatige besluit van het Uwv bij appellant heeft geleid tot gevoelens van psychisch onbehagen en gekwetst zijn. Appellant is er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij zodanig leed heeft ondervonden van het onrechtmatige besluit, dat kan worden gesproken van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer of andere persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het BW. Het verzoek om immateriële schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.

5. Nu de rechtbank het bestreden besluit, zij het op onjuiste gronden, terecht in stand heeft gelaten komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking, met verbetering van gronden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en B.M. van Dun en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) D. van Wijk

HD