Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4588

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
16/2866 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plichtsverzuim haar niet of in verminderde mate valt toe te rekenen. Dat betekent dat van volledige toerekenbaarheid moet worden uitgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2017/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2866 AW

Datum uitspraak: 1 december 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

22 maart 2016, 15/3939 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft C.A. Boeve, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.J. Boiten en B. van der Tuin.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appelante was sinds 1 oktober 2001 bij de gemeente Epe werkzaam als medewerker [naam functie].

1.2.

Op enig moment is een mobiele telefoon van het college ontvreemd. Dit merkte het college in oktober 2014 op, doordat hij bijzonder hoge rekeningen ontving van de telefoonprovider. Naar aanleiding hiervan heeft het college het betreffende mobiele nummer laten blokkeren en aangifte gedaan bij de politie van diefstal en/of verduistering in dienstbetrekking.

1.3.

Het onderzoek van de politie naar de vermiste mobiele telefoon heeft naar het privéadres van appellante geleid, waarbij een mobiele telefoon in beslag is genomen die een simkaart bevatte die behoorde bij het telefoontoestel dat was ontvreemd. Het toestel is niet bij appellante aangetroffen. De politie heeft van deze vondst melding gemaakt bij het college.

1.4.

Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt, waarop appellante een reactie heeft gegeven, heeft het college appellante bij besluit van 6 februari 2015, op grond van artikel 8:13 in verbinding met artikel 16:1:1 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/ Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), met ingang van 7 februari 2015 wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het plichtsverzuim bestaat uit de volgende gedragingen:

- het ontvreemden van een simkaart (met het bijbehorende toestel) die aan het college toebehoorde, waarmee sprake is van diefstal van bedrijfseigendommen;

- het in gebruik nemen van de ontvreemde simkaart en daarmee naar voornamelijk betaalde 0900-nummers bellen voor een bedrag van ruim € 6.300,-, wat ook een vorm van diefstal oplevert;

- het langdurig zwijgen en na confrontatie liegen over de verweten gedragingen.

Dit besluit is, na bezwaar van appellante, gehandhaafd bij besluit van 29 mei 2015 (bestreden besluit).

1.5.

De rechtbank Oost-Nederland heeft appellante bij vonnis van 10 juni 2015 veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is onherroepelijk.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij allereerst vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante de simkaart van het college heeft ontvreemd en hiervan veelvuldig gebruik heeft gemaakt om te bellen naar 0900-lijnen. Uit de facturen van de telefoonprovider blijkt dat appellante tot en met de dag van de blokkering, 9 oktober 2014, van de simkaart gebruik heeft gemaakt. Volgens de rechtbank heeft het college dit gedrag terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat op basis van de door appellante ingebrachte medische stukken niet kan worden vastgesteld dat de gedragingen haar niet te verwijten zijn. De behandelend psycholoog en huisarts kunnen immers geen inschatting maken van de geestelijke gesteldheid van appellante ten tijde van de ontvreemding van de simkaart en het daaropvolgende gebruik van deze simkaart tot en met

9 oktober 2014. De rechtbank is dan ook van oordeel dat appellante zich met de ontvreemding en het gebruik van de simkaart van het college schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 16:1:1, tweede lid, van de CAR/UWO en dat dit plichtsverzuim haar kan worden toegerekend. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het plichtsverzuim van een zodanige ernst is dat onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante de verweten gedragingen heeft begaan en zich daarmee aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Partijen zijn verdeeld over de vragen of, en zo ja, in hoeverre het plichtsverzuim aan appellante kan worden toegerekend en of, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het strafontslag niet onevenredig is.

4.2.

De vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4155) een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of appellante de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft ingezien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.

4.3.

Gelet op de beschikbare medische gegevens heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in de periode in geding geen sprake was. Uit de verklaring van de praktijkondersteuner GGZ van 27 maart 2015 blijkt dat zij op 29 januari 2015 een

reactieve-depressie heeft vastgesteld, dat niet met zekerheid is vast te stellen wat de oorzaak van de depressie is en dat niet is uit te sluiten dat door de gebeurtenissen rondom de verduistering de reactieve-depressie is uitgelokt. Nu deze verklaring geen betrekking heeft op de periode waarin de verweten gedragingen zijn gepleegd, kan deze niet dienen ter ondersteuning van de vaststelling dat appellante op dat moment ernstig ziek was en niet in staat was om de gevolgen van haar handelen in te kunnen schatten en te overzien. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van 8 december 2015 van de GZ-psycholoog, die heeft vastgesteld dat haar psychische klachten zijn ontstaan vanaf december 2014, en van de huisarts van appellante, die heeft gemeld dat haar klachten zijn ontstaan in aansluiting op en in directe relatie met haar werkproblemen en de ontslagprocedure. De beschikbare medische gegevens geven voorts geen aanleiding tot het laten verrichten van een nader psychiatrisch onderzoek.

4.4.

Gelet op het voorgaande heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het plichtsverzuim haar niet of in verminderde mate valt toe te rekenen. Dat betekent dat van volledige toerekenbaarheid moet worden uitgegaan.

4.5.

Appellante houdt het college mede verantwoordelijk voor de door haar gepleegde gedragingen en vindt het strafontslag mede om die reden buitenproportioneel. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft ten tijde van het verrichten van de gedragingen niet om hulp gevraagd en het college wist niet en behoefde niet te weten van de psychische toestand van appellante.

4.6.

De Raad is verder van oordeel dat de aard en ernst van het door appellante gepleegde plichtsverzuim zodanig zijn, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is. De staat van dienst en de zeer ingrijpende gevolgen die deze straf voor appellante heeft, geven de Raad onvoldoende aanleiding om tot een andere conclusie te komen.

5. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD