Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
14/4358 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen. Geen sprake van een pleegkind in de zin van de AKW, dat niet tot het huishouden van een ander behoort als bedoeld in artikel 14 van de ANW. Uit het onderzoek van de sociaal attaché is gebleken dat appellante niet de feitelijke verzorging en het onderhoud, zoals een ouder dat ten opzichte van zijn eigen kind in het algemeen doet, op zich heeft genomen. Geen sprake van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ANW. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4358 ANW

Datum uitspraak: 18 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 juni 2014, 13/311 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2016. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren [datum] 1959. In verband met het overlijden van haar echtgenoot op 1 december 2008 heeft zij bij de Svb een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Daarbij heeft zij vermeld dat zij arbeidsongeschikt is en geen eigen, adoptief, stief- of pleegkinderen heeft die jonger zijn dan 18 jaar.

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Svb het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Het Uwv heeft de Marokkaanse rijksdienst voor sociale zekerheid (CNSS) verzocht appellante medisch te onderzoeken. De CNSS heeft op 6 januari 2011 rapport uitgebracht. Mede op basis van dit rapport heeft het Uwv geadviseerd appellante in staat te achten om tenminste 55% te verdienen van wat vergelijkbare gezonde personen gewoonlijk verdienen.

1.3.

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft de Svb op grond van het advies van het Uwv de aanvraag van appellante om toekenning van een nabestaandenuitkering afgewezen op de grond dat appellante niet arbeidsongeschikt is.

1.4.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 juni 2011. Naast dat zij heeft gesteld arbeidsongeschikt te zijn, heeft zij ook gesteld een geadopteerd kind – [naam] – te hebben. Ten bewijze van beide stellingen heeft zij een verklaring van haar broer,
[broer] , en een medische verklaring overgelegd, beide van 30 december 2011. Voorts heeft zij een geboorteakte van [naam] overgelegd.

1.5.

De Svb heeft vervolgens de sociaal attaché te Marokko verzocht een onderzoek te verrichten naar aanleiding van de stelling dat appellante de zorg heeft voor [naam] . Voorts heeft de Svb het Uwv verzocht naar aanleiding van het bezwaarschrift opnieuw onderzoek in te stellen.

1.6.

Daarop heeft het Uwv aan de Svb bericht dat appellante niet in staat is om tenminste 55% te verdienen van wat gezonde personen gewoonlijk verdienen. Raadpleging van het CBBS heeft uitgewezen dat er per 1 december 2008 onvoldoende functies te duiden zijn. Per
18 mei 2011 zijn er voldoende functies te duiden, hetgeen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 0%. De Svb heeft daarop aan appellante bij besluit van

4 september 2012 over het tijdvak van 1 december 2008 tot en met 31 mei 2011 een nabestaandenuitkering toegekend en aan appellante een bedrag van € 35.098,95 aan nabestaandenuitkering en – bij separaat besluit van 4 september 2012 – € 3.197,75 aan rente betaald.

1.7.

Bij besluit van 5 december 2012 heeft de Svb het bezwaar van appellante gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen het besluit van 28 juni 2011. Voor zover het bezwaar is gericht tegen het besluit van 4 september 2012 is het ongegrond verklaard. Uit het onderzoek van de sociaal attaché, neergelegd in een rapport van 9 mei 2012, is gebleken dat [naam] niet kan worden aangemerkt als adoptief kind of pleegkind. Het beroep op de Regeling gelijkstelling pleegkinderen slaagt niet. De Svb ziet voorts geen aanleiding het Uwv niet te volgen in het advies appellante 0% arbeidsongeschikt te achten. Na mei 2011 bestaat daarom geen recht op een nabestaandenuitkering.

2. In beroep heeft appellante aangevoerd dat wel sprake is van een kind in de zin van de ANW. Verder heeft zij gesteld – kort samengevat – dat haar beperkingen zijn onderschat, dat zij de geselecteerde functies daarom niet kan vervullen en dat de functies bovendien van een te hoog niveau zijn. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante haar eerder aangevoerde gronden herhaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of de Svb met recht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen.

4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft recht op een nabestaandenuitkering de nabestaande die een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en dat niet tot het huishouden van een ander behoort (sub a) of die arbeidsongeschikt is (sub b).

4.3.

Wat betreft de stelling van appellante dat zij de zorg voor een kind heeft, wordt als volgt overwogen. Beoordeeld dient te worden of appellante op grond van het bepaalde onder a van artikel 14, eerste lid, recht heeft op een nabestaandenuitkering. Daarvoor is in de eerste plaats vereist dat het kind niet tot het huishouden van een ander behoort. Verder is in artikel

5 geregeld wat in de ANW onder een kind wordt verstaan. In artikel 5, eerste lid, van de ANW is bepaald dat als kind wordt aangemerkt een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). In het derde lid van artikel 5 van de ANW is bepaald dat – in afwijking van het eerste lid – slechts als pleegkind wordt aangemerkt het pleegkind voor wie de nabestaande tijdens het overlijden van de echtgenoot zorg droeg als ware hij ouder.

4.4.

Het geschil spitst zich ten eerste toe op de vraag of appellante een pleegkind in de zin van de AKW heeft, dat niet tot het huishouden van een ander behoort als bedoeld in artikel 14 van de ANW.

4.5.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het onderzoek van de sociaal attaché feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit blijkt dat [naam] ook tot het huishouden van haar ouders behoort. Uit het rapport van 9 mei 2012 blijkt dat appellante op

3 mei 2012 heeft verklaard dat [naam] , een dochter van haar broer [broer] , sinds haar geboorte bij haar woont. De ouders van [naam] wonen op 100 meter afstand en [naam] gaat gewoon naar haar ouders en heeft dagelijks contact met haar ouders. De verzorging en opvoeding van [naam] gebeuren ook door haar ouders, aldus appellante. Buurtbewoners hebben verklaard dat [naam] zowel bij haar ouders als bij haar tante verblijft. Sommigen verklaarden dat [naam] nog niet zo lang bij haar tante woont en sommigen verklaarden dat zij al een tijdje geleden bij haar tante is komen wonen.

4.6.

Hieruit kan worden afgeleid dat [naam] ten tijde in geding niet uitsluitend tot het huishouden van appellante behoorde maar ook tot het huishouden van haar ouders. Hieraan kan niet afdoen de verklaring van 30 december 2011 van [broer] dat appellante voor zijn dochter zorgt sinds haar geboorte nu deze in niet onbelangrijke mate afwijkt van de verklaring van appellante en de buurtbewoners.

4.7.

Wat betreft de stelling van appellante dat sprake is van een pleegkind of dat [naam] met een pleegkind moet worden gelijkgesteld, wordt overwogen dat aan deze stelling, gezien overweging 4.5 en 4.6, niet wordt toegekomen maar dat overigens ook aan de eisen om als pleegkind te worden aangemerkt, niet is voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de ANW wordt slechts als pleegkind van de nabestaande aangemerkt het pleegkind voor wie de nabestaande ten tijde van het overlijden van de echtgenoot zorg droeg als ware hij ouder. Daarmee is gedoeld op de situatie dat de verzorger zowel de feitelijke verzorging op zich heeft genomen alsook het onderhoud van het kind, zoals een ouder dat ten opzichte van zijn eigen kind in het algemeen doet (vgl. ECLI:NL:CRVB:2008:BD3136).

4.8.

Uit het onderzoek van de sociaal attaché is gebleken dat appellante niet de feitelijke verzorging en het onderhoud, zoals een ouder dat ten opzichte van zijn eigen kind in het algemeen doet, op zich heeft genomen. Naast de verklaringen van de buurtbewoners acht de Raad hiervoor van belang dat appellante op 3 mei 2012 heeft verklaard dat niet zij maar de vader [naam] onderhoudt en dat de vader beslissingen neemt over [naam] .

4.9.

Op grond van 4.7 en 4.8 moet worden geconcludeerd dat niet is voldaan aan de eisen van artikel 14, eerste lid, sub a in verbinding met artikel 5 van de ANW.

4.10.

Wat betreft de stelling van appellante dat zij arbeidsongeschikt is, wordt het volgende overwogen. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Artikel 11 van de ANW luidt:

"1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is."

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702) heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de jurisprudentie over het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent.

4.11.

Er is geen grond om het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Het Uwv heeft zich gebaseerd op het onderzoek van de CNSS. Het rapport van de CNSS is gebaseerd op bloedonderzoek, radiologisch, cardiologisch en reumatologisch onderzoek, informatie van de huisarts en een ECG en inspanningstest. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat sprake is van nekklachten als gevolg van slijtage en zonder neurologische gevolgen, rugklachten zonder ernstige afwijkingen, pijnklachten op de borst zonder ernstige cardiologische afwijkingen, knieklachten zonder ernstige afwijkingen, een pijnlijke rechterelleboog met verlies van kracht in de rechterhand en fors overgewicht. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante beperkingen heeft wat betreft trillingsbelasting en diverse dynamische handelingen en statische houdingen. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 april 2011.

4.12.

Appellante heeft in bezwaar een verklaring van 30 december 2011 ingebracht van arts Lahburia, werkzaam bij Hopital Hassani te Nador. Deze arts heeft appellante op die datum onderzocht en heeft gesteld dat zij lijdt aan diabetes met risico’s op netvliesaandoeningen, hoge cholesterol, depressiviteit en artrose aan beide knieën. Gesteld is dat zij niet kan werken en 65% arbeidsongeschikt is.

4.13.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd op de door appellante overgelegde medische verklaring in de rapporten van 22 februari 2012 en 10 oktober 2012. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat de conclusies niet medisch zijn onderbouwd. Voorts is appellante op 25 november 2010 uitgebreid medisch onderzocht door de CNSS. Toen is niet gebleken van verhoogde glucose of cholesterol of van psychopathologie. Daar komt bij dat diabetes en hoge cholesterol op zichzelf geen ziekten zijn. Verder is deze medische verklaring een half jaar na de nieuwe datum in geding,
18 mei 2011, opgesteld. Dit tezamen maakt dat er geen aanleiding is een ander standpunt in te nemen betreffende de belastbaarheid op 18 mei 2011, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.14.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen op 18 mei 2011. Daarom mag worden aangenomen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding op juiste wijze is verwoord in de FML van 29 april 2011.

4.15.

Wat betreft de aangevoerde arbeidskundige gronden wordt als volgt overwogen. De arbeidsdeskundige heeft drie functies geselecteerd: snackbereider (SBC-code 111071), inpakker (SBC-code 111190) en textielproductenmaker (SBC-code 111160). De grond dat appellante niet voldoet aan het gestelde functieniveau 2 omdat zij geen afgeronde basisopleiding heeft, slaagt niet. De arbeidsdeskundige heeft uiteengezet dat sinds 1993 niet meer wordt geselecteerd op functieniveau. De geduide functies vereisen maximaal opleidingsniveau 1 en dat heeft appellante.

4.16.

Voorts heeft appellante gesteld dat zij niet kan communiceren in de Nederlandse taal en dat zij de geselecteerde functies om die reden niet kan vervullen. Artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 bepaalt – voor zover hier van belang – dat bij de bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen, waaronder mede wordt begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, tenzij betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als gevolg van ziekte of gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Onder deze bekwaamheden wordt ten minste verstaan de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal. De functie textielproductenmaker stelt geen eisen aan de taalvaardigheid. De functies snackbereider en inpakker vereisen dat de betrokkene Nederlands spreekt, schrijft en leest op eenvoudig niveau respectievelijk goed communiceert in de Nederlandse taal. Het betreft eenvoudige arbeid waarbij gewerkt wordt onder leiding van een meewerkend voorman of groepsleider die mondelinge instructies geeft. De functies kunnen op grond van het voorgaande als passend worden aangemerkt.

4.17.

Appellante heeft, tot slot, aangevoerd dat de functies niet passend zijn wegens andere overschrijdingen van appellantes belastbaarheid. De door arbeidsdeskundige in het rapport van 30 mei 2011 en door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van
8 maart 2012 verstrekte toelichting op de overschrijdingen die de voorgehouden functies op bepaalde aspecten van de belastbaarheid van appellante laten zien, kan als toereikend worden aangemerkt. In het bijzonder heeft de arbeidsdeskundige uitgelegd dat de schroefbeweging met de arm en hand die voorkomt in de functie snackbereider, incidenteel voorkomt en geen grote kracht vereist. In overleg met de verzekeringsarts bleek dit geen bezwaar voor appellante.

4.18.

Appellante moet in staat worden geacht deze door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. Deze functies kennen een uurloon dat hoger is dan appellantes maatmanuurloon en appellante moet daarom in staat worden geacht 100% van het maatmaninkomen te verdienen.

4.19.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat geen aanzeggingstermijn in acht hoefde te worden genomen nu aan appellante achteraf, over een verstreken tijdvak, een nabestaandenuitkering is toegekend.

4.20.

Uit 4.1 tot en met 4.19 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en H.J. Simon en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2016.

(getekend) E.E. Lenos

(getekend) R.I. Troelstra

UM