Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
16/2074 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling laten. Gevraagde gegevens niet tijdig overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2074 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

2 maart 2016, 15/6010 en 15/6006 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. Stronks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 24 december 2014 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), thans Participatiewet (PW).

1.2.

Bij brief van 3 februari 2015 heeft het college appellant verzocht om voor 17 februari 2015 de in de brief genoemde bewijsstukken te verstrekken, waaronder afschriften van alle betaal-, spaar-, en zakelijke rekeningen van de laatste drie maanden en gegevens met betrekking tot (de beëindiging van) zijn bedrijf.

1.3.

Bij besluit van 12 februari 2015 heeft het college appellant een voorschot van € 1.080,- verstrekt in de vorm van een renteloze lening.

1.4.

Bij brief van 19 februari 2015 heeft het college appellant vervolgens in de gelegenheid gesteld om de in de brief van 3 februari 2015 genoemde gegevens voor 27 februari 2015 alsnog in te dienen. Daarbij heeft het college appellant erop gewezen dat als hij niet of niet tijdig alle gegevens inlevert, de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

1.5.

Bij besluit van 11 maart 2015 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de bij brieven van 3 en

19 februari 2015 gevraagde gegevens niet volledig heeft ingeleverd.

1.6.

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft het college het aan appellant verstrekte voorschot van € 1.080,- van appellant teruggevorderd.

1.7.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 11 augustus 2015 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 11 maart 2015 en 17 maart 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat - overwogen dat de door het college gevraagde gegevens noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag om bijstand. Appellant heeft deze gegevens niet voor afloop van de in de brief van 19 februari 2015 gestelde termijn ingeleverd. Aan de door appellant op 1 april 2015 overgelegde gegevens komt, nu deze gegevens na het primaire besluit zijn verstrekt, geen betekenis toe. De stelling van appellant dat hij redelijkerwijs niet in staat was de gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn te verstrekken omdat zijn boekhouder geen tijd had, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Het komt voor rekening en risico van appellant dat hij de gevraagde gegevens niet binnen de termijn heeft overgelegd. Bovendien heeft hij niet om verlenging van de hersteltermijn gevraagd. Nu appellant de benodigde gegevens niet tijdig heeft ingeleverd en het college hem een redelijke termijn heeft gegeven om deze gegevens over te leggen, was het college bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, net als in beroep, aangevoerd dat hij als gevolg van tijdelijke afwezigheid van zijn boekhouder redelijkerwijs niet kon beschikken over de gegevens met betrekking tot (de beëindiging van) zijn bedrijf.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgrond in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leidt tot een vernietiging van de bestreden besluiten. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is.

4.2.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD