Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
15/6805 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:6336, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning ZW-uitkering aan ex-werkneemster. Eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist vastgesteld. Er is sprake van nawerking op grond van art. 46 ZW, aangezien appellante binnen vier weken na het einde van de verzekering ongeschikt tot werken is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6805 ZW

Datum uitspraak: 30 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

4 september 2015, 14/7772 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.E. Wonnink, arts, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016. Namens appellante is Wonnink verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Ex-werkneemster van appellante, [ex-werkneemster] , is bij appellante werkzaam geweest als leerling verzorgende. Het contract is tijdens de proeftijd, met ingang van 1 maart 2013, beëindigd. Op 28 februari 2013 heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Deze aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 4 maart 2013 afgewezen omdat zij heeft aangegeven ziek te zijn.

1.2.

Op 14 mei 2013 heeft de ex-werkneemster van appellante het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft overwogen dat zij niet in staat kan worden geacht haar werk te verrichten. Bij besluit van 15 mei 2013 heeft het Uwv aan de ex-werkneemster van appellante met ingang van 1 maart 2013 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Dit besluit heeft het Uwv bij brief van 27 maart 2014 aan appellante bekendgemaakt. Het tegen het besluit van 15 mei 2013 door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 26 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Tegen het bestreden besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld geen aanknopingspunten te zien om de conclusie van de verzekeringsarts voor onjuist te houden dan wel voor het oordeel dat het onderzoek door deze arts onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Zij heeft voorts geoordeeld dat appellante niet heeft onderbouwd dat van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 1 maart 2013 moet worden uitgegaan en voorts dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de ex-werkneemster van appellante in aanmerking had moeten worden gebracht voor een WW-uitkering, nu zij terecht arbeidsongeschikt is geacht per 1 maart 2013 en dus niet beschikbaar was voor arbeid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte vermeden heeft een discussie te voeren over het exacte ontstaansmoment van de arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster van appellante. Voorts heeft zij aangevoerd dat bij het einde van de dienstbetrekking van de ex-werkneemster van rechtswege een WW-recht is ontstaan waaruit zij vervolgens arbeidsongeschikt is geworden, zodat van nawerking op grond van artikel 46, van de ZW, geen sprake kan zijn.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW, heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van het rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen reden tot twijfel aan de door het Uwv gehanteerde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 maart 2013. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 1 maart 2013 moet worden uitgegaan.

4.3.

De rechtbank wordt eveneens gevolgd dat er geen grond is voor het oordeel dat de

ex-werkneemster in aanmerking had moeten worden gebracht voor een WW-uitkering, nu het Uwv ex-werkneemster terecht met ingang van 1 maart 2013 ongeschikt heeft geacht tot het verrichten van haar werk en zij dus niet beschikbaar was voor werk.

4.4.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft onderschreven dat er in het geval van ex-werkneemster sprake is van nawerking op grond van artikel 46 van de ZW, aangezien zij binnen vier weken na het einde van de verzekering ongeschikt tot werken is geworden.

4.5.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM