Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
14/3290 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhouding eigen bijdrage AWBZ op Wajong-uitkering. In beginsel kan het bestuursorgaan aan een verzoek om inhouding gevolg geven, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2017/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3290 Wajong

Datum uitspraak: 30 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

25 april 2014, 13/5425 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Als opvolgend gemachtigde heeft zich gesteld [moeder] , moeder van appellant.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op

22 juli 2016. Namens appellant is zijn moeder verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

De Raad heeft het onderzoek heropend en heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Als gemachtigde voor appellant heeft zich mr. F.H.P. van Venetien gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn moeder en mr. Van Venetien. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is geboren op [geboortedag] 1989. Met ingang van [geboortedag] 2007 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op 15 februari 2012 is appellant verhuisd naar een

AWBZ-zorginstelling te Vught.

2.1.

Het CAK heeft het Uwv op 19 augustus 2013 verzocht de eigen bijdrage voor de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) in te houden op de Wajong-uitkering van appellant. Het Uwv heeft bij besluit van 15 september 2013 over de maand september 2013 een bedrag aan eigen bijdrage AWBZ van € 364,96 ingehouden op de Wajong-uitkering van appellant. Op 23 september 2013 is vervolgens de Wajong-uitkering bijgeschreven op de bankrekening van appellant, verminderd met de eigen bijdrage AWBZ. Op 1 oktober 2013 heeft het Uwv schriftelijk bevestigd dat op verzoek van CAK vanaf 1 september 2013

€ 364,96 per maand op de Wajong-uitkering wordt ingehouden.

2.2.

Appellant heeft een klacht bij het Uwv ingediend tegen de inhouding van de eigen bijdrage over de maand september 2013. Ook heeft appellant hierover een klacht ingediend bij het CAK.

2.3.

Het Uwv heeft de klacht van appellant aangemerkt als een bezwaarschrift. Bij beslissing op bezwaar van 23 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Het Uwv heeft onder verwijzing naar artikel 3:47 van de Wajong gesteld dat de uitkering tot het bedrag van de eigen bijdrage AWBZ zonder machtiging wordt uitbetaald aan het College voor zorgverzekeringen. Het signaal om de AWBZ-bijdrage op de uitkering in te houden werd ontvangen op 19 augustus 2013 en is verwerkt met ingang van

1 september 2013. Het Uwv heeft appellant geadviseerd zich in verbinding te stellen met het CAK.

3. Het CAK heeft appellant bij brief van 29 oktober 2013 meegedeeld dat ten onrechte een inhoudingsverzoek voor de eigen bijdrage AWBZ aan het Uwv is gedaan omdat abusievelijk ervan uit was gegaan dat appellant de eerder met hem overeengekomen afbetalingsregeling niet is nagekomen. De inhouding is op verzoek van het CAK per november 2013 beëindigd.

4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het in beginsel niet aan het Uwv is om de juistheid van de door het CAK vastgestelde eigen bijdrage te toetsen alvorens tot inhouding op de uitkering over te gaan. Het betoog van appellant dat het Uwv eerst had moeten onderzoeken of sprake was van een betalingsachterstand treft geen doel. Het Uwv heeft op correcte wijze uitvoering gegeven aan artikel 3:47, eerste lid, van de Wajong en de artikelen 1 en 2 van het Besluit betaling zonder machtiging aan het College voor zorgverzekeringen van 29 december 2005 (Stcrt. 2005, 246) (Besluit), zodat het Uwv het bezwaar zonder horen van appellant kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren.

5.1.

In hoger beroep is door appellant nader toegelicht dat met het CAK een betalingsregeling was overeengekomen die los staat van het in september 2013 door het Uwv ingehouden maandbedrag voor de eigen bijdrage AWBZ. Het CAK had intern niet goed doorgegeven dat appellant een betalingsregeling had. Toen in de administratieve verwerking van de door appellant verrichte betaling een fout werd gemaakt omdat appellant niet vermeldde op welke maand zijn betaling betrekking had, is het CAK er ten onrechte vanuit gegaan dat appellant de betalingsregeling niet nakwam. Appellant wil dat het CAK niet langer deze fouten maakt en één van de manieren om dat te voorkomen is dat het Uwv hem er tijdig, dat wil zeggen op een moment waarop het de inhouding nog kan afwenden, van op de hoogte stelt dat het CAK aan het Uwv een verzoek om inhouding heeft gedaan.

5.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv stelt dat verzoeken om inhoudingen op uitkeringen altijd worden gehonoreerd en dat het onderzoek van het Uwv zich beperkt tot de vraag of de hoogte van de Wajong-uitkering toereikend is.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Artikel 3:47 van de Wajong, luidde ten tijde van belang als volgt:

Indien de jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, aanspraak heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de jonggehandicapte zonder diens machtiging uit te betalen aan het college voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

6.2.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit maakt het Uwv, indien degene aan wie een uitkering in de zin van de Wet Wajong is toegekend, een bijdrage verschuldigd is voor verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de AWBZ, gebruik van de bevoegdheid de uitkering tot het bedrag van die bijdrage, in plaats van aan degene aan wie de uitkering is toegekend, zonder diens machtiging te betalen aan het College voor zorgverzekeringen, genoemd in de artikelen 1, onderdeel p, en 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.

6.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het aanvaardbaar dat een bestuursorgaan bij de hantering van een bevoegdheid als de onderhavige volstaat met een onderzoek of in het individuele geval de inhouding van de eigen bijdrage AWBZ mogelijk is in relatie tot het (resterende) bedrag aan uitkering. In beginsel kan het bestuursorgaan aan een verzoek om inhouding gevolg geven, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. Het ligt allereerst op de weg van een betrokkene om dergelijke bijzondere omstandigheden te stellen (zie onder meer CRvB, 7 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:893 en CRvB, 5 juli 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8862).

6.4.

Zoals ter zitting is erkend, is de inhouding mede veroorzaakt door een vergissing van appellant. Ter zitting is tevens erkend dat van het Uwv niet kan worden verlangd dat een onderzoek wordt verricht naar de rechtmatigheid of de juistheid van de inhouding. Tevens heeft appellant erkend dat het laten terugstorten van de inhouding geen oplossing zou bieden voor het eigenlijke probleem dat appellant niet tijdig op de hoogte werd gesteld van het feit dat hij zijn betalingsverplichtingen ten opzicht van het CAK niet nakomt of dreigt niet na te komen. Dit vormen geen bijzondere omstandigheden in de zin van de hiervoor weergegeven rechtspraak. Dat het CAK heeft erkend dat er abusievelijk van is uitgegaan dat appellant niet voldeed aan de met hem getroffen betalingsregeling vormt evenmin een dergelijke bijzondere omstandigheid. Voorzover de communicatie van het CAK ten opzichte van appellant te kort schiet, valt dat buiten de omvang van dit geding.

6.5.

De ter zitting door appellant aangevoerde grond dat het CAK niet bevoegd is om de bijdrage in te houden, slaagt niet. Op grond van artikel 49, onder a, van de AWBZ is het CAK belast met de inning van bijdrage bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de AWBZ.

6.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.C. Borman

TM