Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4557

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
15/4229 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Stortingen op bankrekeningen. Maatregel in plaats van boete. Stortingen zijn aan te merken als inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4229 WWB, 15/6100 WWB

Datum uitspraak: 22 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

6 mei 2015, 14/11446 (aangevallen uitspraak 1) en van 9 juli 2015, 15/1491 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal en een tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. Groen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 17 mei 2010 bijstand, ten tijde hier van belang ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een melding de klantmanager van appellant van 22 december 2011 dat onder meer meerdere stortingen op de bankrekening van appellant zijn te zien, hebben medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Den Haag (medewerkers) onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek verricht, en de afschriften van de bankrekening van appellant opgevraagd en verkregen. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 16 juli 2012. Omdat uit de bankafschriften tevens was gebleken dat appellant betalingen ten behoeve van de woning van zijn ouders verrichtte hebben de medewerkers nader onderzoek gedaan. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 mei 2014.

1.3.

Bij besluit van 22 mei 2014 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 17 mei 2010 tot en met 22 augustus 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 46.420,75 van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat appellant inkomsten heeft gehad uit stortingen op zijn bankrekening waarover hij geen afdoende verklaring heeft gegeven en zijn uitgaven niet in overeenstemming zijn met zijn inkomsten.

1.4.

Bij besluit van 29 juli 2014 heeft het college het bedrag van de terugvordering gebruteerd en het teruggevorderde bedrag vastgesteld op € 51.724,96.

1.5.

Bij besluit van 18 september 2014 heeft het college aan appellant een boete opgelegd van
€ 10.970,- wegens schending van de inlichtingenverplichting.

1.6.

Bij besluit van 17 november 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 22 mei 2014 en 29 juli 2014 gegrond verklaard, de bijstand van appellant herzien (in die zin dat in de perioden van 1 juni 2010 tot en met 31 oktober 2010 en van 1 februari 2011 tot en met 31 oktober 2011 de kasstortingen als inkomen in de maanden waarin zij hebben plaatsgevonden in aanmerking worden genomen) en de terugvordering vastgesteld op een bedrag van € 12.286,32. Aan het bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat een groot aantal kasstortingen, in totaal voor een bedrag van € 12.725,-, is verricht op de bankrekening van appellant met nummer [nummer] . Nu de herkomst van deze kasstortingen onbekend is gebleven, heeft het college deze als inkomsten aangemerkt.

1.7.

Bij besluit van 19 januari 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 september 2014 gegrond verklaard en de boete gewijzigd in een maatregel van 100% verlaging voor de duur van een maand, zijnde een bedrag van € 1.203,18. Aan het bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat de schending van de inlichtingenverplichting heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2013, zodat conform het tot die datum geldende maatregelenregime, te weten de Maatregelverordening Wet werk en bijstand 2007 (Verordening), een maatregel dient te worden opgelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 8, tweede lid, onder d, van de Verordening wordt bij een benadelingsbedrag boven de € 6.000,- een maatregel opgelegd van 100% gedurende één maand.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen perioden loopt van 1 juni 2010 tot en met 31 oktober 2010 en van

1 februari 2011 tot en met 31 oktober 2011.

4.2.

Vaststaat dat op de bankrekening van appellant in deze perioden regelmatig stortingen van bedragen variërend van € 150,- tot € 1.320,- hebben plaatsgevonden.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB.

4.4.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant de herkomst van de kasstortingen niet met controleerbare en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kasstortingen op zijn rekening (deels) afkomstig zijn van zijn vader en waren bedoeld om de vaste lasten van zijn vader te betalen. De bedragen en de data van de opnames van de bankrekening van de vader van appellant corresponderen niet met de stortingen op de bankrekening van appellant. Zo heeft de vader in de eerste te beoordelen periode in het geheel geen geld van zijn rekening opgenomen, terwijl er wel bedragen op de bankrekening van appellant zijn gestort. In de tweede te beoordelen periode zijn in sommige maanden wel enkele bedragen opgenomen van de bankrekening van de vader, maar deze bedragen variëren in hoogte en corresponderen niet met kasstortingen op de bankrekeningrekening van appellant in diezelfde periode. Appellant heeft evenmin aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat een deel van de kasstortingen op zijn bankrekening van de broer van appellant afkomstig is. De herkomst van de kasstortingen op de bankrekening van appellant kan dan ook niet worden vastgesteld. Dit betekent dat het college de kasstortingen op de bankrekening van appellant terecht als inkomen bij de bijstandsverlening in aanmerking heeft genomen.

4.5.

Appellant heeft de kasstortingen niet bij het college gemeld. Door dat niet te doen heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan appellant tot een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen.

4.6.

Appellant heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.7.1.

In het van toepassing zijnde artikel 18, tweede lid, van de WWB, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2013 is, voor zover van belang, bepaald dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.7.2.

Uit 4.4 tot en met 4.5 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden in de te beoordelen perioden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat daaraan elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Gelet hierop was het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB, zoals deze bepaling tot 1 januari 2013 luidde, in beginsel gehouden de bijstand van appellant te verlagen.

4.7.3.

Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat de (hoogte) van de maatregel zou moeten worden aangepast als de herziening geheel of gedeeltelijk geen stand kan houden. Nu verder niet in geschil is dat de maatregel gelet op het benadelingsbedrag in overeenstemming is met de in de Verordening bepaalde verlaging van de bijstand van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, slaagt deze grond gelet op 4.4 tot en met 4.6 niet.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken 1 en 2 moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD