Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:455

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
15/613 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken na opschorten. Verwijtbaar in verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/613 WWB

Datum uitspraak: 2 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 19 januari 2015, 14/8513 en 14/8516 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.H. van Tongerlo, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 22 december 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij brief van 8 augustus 2014 hebben ambtenaren van de gemeente Rotterdam, werkzaam bij het Project Heronderzoek WWB 2014, appellante in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan haar verstrekte bijstand uitgenodigd voor een gesprek op 12 augustus 2014. Zij hebben appellante daarbij verzocht de in die brief genoemde gegevens mee te nemen, waaronder afschriften van de laatste twaalf maanden van alle bankrekeningen. Appellante is niet verschenen. Appellante heeft de bankafschriften niet verstrekt.

1.3.

Bij besluit van 12 augustus 2014 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 12 augustus 2014, opgeschort en appellante daarbij in de gelegenheid gesteld op 15 augustus 2014 alsnog de gevraagde gegevens over te leggen. Aan deze uitnodiging heeft appellante geen gehoor gegeven. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 28 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 november 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 12 augustus 2014 ingetrokken en de over de periode van 12 augustus 2014 tot en met 31 augustus 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 317,68 van haar teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen gehoor heeft gegeven aan de oproep, waarbij is gevraagd om stukken over te leggen

- met name bankafschriften - die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Appellante heeft haar medische beperkingen en omstandigheden rondom de periode waarin zij werd opgeroepen niet onderbouwd. Daarom neemt het college niet aan dat appellante geen verwijt treft van het verzuim.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het opschortingsbesluit is in rechte onaantastbaar geworden, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 12 augustus 2014 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. De verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3.

Niet in geschil is dat de door het college bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens van belang zijn voor de verlening van bijstand en dat appellante daarover kon beschikken. Vaststaat dat appellante heeft verzuimd deze gegevens binnen de daartoe gestelde hersteltermijn te verstrekken.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het verzuim haar niet is te verwijten. Ten tijde van de oproep en het opschortingsbesluit verbleef zij vanwege medische omstandigheden tijdelijk bij haar dochter, waardoor zij niet tijdig van die stukken heeft kunnen kennisnemen.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de overgelegde medische informatie, die dateert van 17 mei 2009, blijkt dat appellante tien jaar geleden een auto-ongeluk heeft gehad en sindsdien rugklachten heeft. Daaruit valt echter niet op te maken dat appellante ten tijde van de oproep en het opschortingsbesluit van het college onder medische behandeling stond en zeker niet dat zij in die periode genoodzaakt was bij haar dochter te verblijven. Appellante heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij op medische gronden niet in staat was het college tijdig te berichten dat zij tijdelijk ergens anders verbleef en maatregelen te treffen om tijdig over haar post te kunnen beschikken. Dit betekent dat appellante kan worden verweten dat zij niet tijdig de gevraagde gegevens heeft verstrekt.

4.6.

Hiermee is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2016.

(getekend) O.L.W.H.I. Korte

(getekend) M.S. Spek

HD