Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
16/240 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:51, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken. Niet wonen op uitkeringsadres. Verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/240 WWB

Datum uitspraak: 29 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
4 januari 2016, 15/3509 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2016. Voor appellant is verschenen mr. Stout. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Jonge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 12 juni 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Appellant heeft opgegeven te wonen op het adres Snoekenveen 554 te Spijkenisse (uitkeringsadres).

1.2.

Na te zijn uitgenodigd voor een periodieke hercontrole van de uitkering op 21 oktober 2014 is appellant niet verschenen. Appellant is opnieuw uitgenodigd voor 28 oktober 2014. Appellant is verschenen en met hem is om omstreeks 12.30 uur afgesproken dat

15 tot 20 minuten later een huisbezoek zou plaatsvinden op het opgegeven adres. Toen de controlerend ambtenaren vervolgens op het afgesproken tijdstip aankwamen op het opgegeven adres was appellant niet aanwezig in de woning en ook na herhaaldelijk kloppen werd niet open gedaan, waardoor geen huisbezoek heeft plaatsgevonden. Op 17 november 2014 heeft het college van de hoofdbewoner van het uitkeringsadres een schriftelijke verklaring ontvangen dat appellant niet meer woont op dat adres.

1.3.

Bij besluit van 3 november 2014 heeft het college de bijstand met ingang van 28 oktober 2014 ingetrokken op de grond dat appellant geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 4 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2014 gegrond verklaard en de datum van intrekking van de bijstand gewijzigd in 17 november 2014. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanaf die datum niet meer woonde op het uitkeringsadres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat hij tot medio december 2014 woonde op het uitkeringsadres en dat ten onrechte veel betekenis wordt gehecht aan de verklaring van 17 november 2014 van de hoofdbewoner. Die verklaring is volgens appellant onjuist.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De periode in geding loopt hier van 17 november 2014 (datum intrekking bijstand) tot

4 juni 2015.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven voor de beoordeling van

(de voortzetting van) het recht op bijstand een essentieel gegeven vormt.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant vanaf 17 november 2014 niet meer zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Daarbij is van betekenis de onder 1.2 beschreven gang van zaken tijdens het beoogde huisbezoek op 28 oktober 2014 op het uitkeringsadres en met name de verklaring van de hoofdbewoner op 17 november 2014 dat appellant niet meer woont op dat adres. De beroepsgrond dat deze verklaring uit angst is afgelegd, dat een huisbezoek door de sociale recherche als zeer bedreigend kan worden ervaren en dat de verklaring van de hoofdbewoner daarom onjuist is, treft geen doel. De hoofdbewoner heeft zijn schriftelijke verklaring ondertekend en afgegeven op 17 november 2014 op het gemeentehuis. Bedoeld huisbezoek op het uitkeringsadres vond reeds plaats op 28 oktober 2014, waarbij de hoofdbewoner noch appellant aanwezig was. Dat de hoofdbewoner vervolgens uit angst een onjuiste verklaring heeft afgelegd, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2016.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) C.A.E. Bon

HD