Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:453

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
15/600 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek om toestemming volgen (lasopleiding). Gevraagde voorziening niet noodzakelijk om aan het werk te komen. Niet kortste weg naar werk.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/600 WWB

Datum uitspraak: 2 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2014, 14/2462 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Appellant heeft in 2011 in het kader van een re-integratietraject bij Metaalproject van Werkpro in Delfzijl de opleidingen MAG lasdiploma niveau 1 en niveau 2 met goed gevolg voltooid. Het college heeft in die opleidingen een bedrag van € 3.000,- bijgedragen. Daarna heeft appellant enige praktijkervaring opgedaan tijdens een werktraject, dat vroegtijdig is beëindigd. Een andere voorziening, het werkgeversteam, is niet van de grond gekomen. Appellant heeft nog enige tijd op eigen kracht werk gevonden via een uitzendbureau.

1.3.

Op 7 februari 2013 heeft appellant verzocht om toestemming voor het volgen van een aanvullende lasopleiding.

1.4.

Bij besluit van 25 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellant afgewezen op de grond dat de opleiding niet noodzakelijk wordt geacht voor de inschakeling van appellant op de arbeidsmarkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de opleiding in zijn geval noodzakelijk is om werk te kunnen krijgen. Hij heeft diverse werkzaamheden via uitzendbureaus verricht, maar dit heeft er niet toe geleid dat hij niet langer is aangewezen op bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, maken personen die algemene bijstand ontvangen, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de WWB, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.2.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Re-integratieverordening WWB van de gemeente Groningen heeft een persoon die algemene bijstand ontvangt aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Op grond van het tweede lid van dat artikel betrekt het college bij zijn oordeel over de noodzaak om een voorziening aan te bieden de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling van de belanghebbende.

4.3.1.

Het college heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de gevraagde voorziening voor appellant niet noodzakelijk is om aan werk te komen. In dit verband is van belang dat het college appellant, op zijn verzoek, in de gelegenheid heeft gesteld om twee lasopleidingen te volgen, waarvan de (reis)kosten door het college zijn vergoed. Daarnaast heeft het college appellant twee vervolgtrajecten aangeboden maar heeft het gebrek aan werkervaring als lasser niet tot het door appellant gewenste resultaat geleid. Niet gebleken is dat de door appellant gewenste aanvullende lasopleiding hem meer kansen zal bieden op de arbeidsmarkt om een baan als lasser te verkrijgen. De noodzakelijke werkervaring neemt hierdoor niet toe.

4.3.2.

Daarnaast kan van degenen die aanspraak maken op bijstand, gelet op artikel 9,

eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, worden gevergd dat zij, met inachtneming van hun krachten en bekwaamheden, niet alleen passende maar ook algemeen geaccepteerde arbeid proberen te verkrijgen, om zo in hun levensonderhoud te voorzien. Door appellant is ter zitting erkend dat hij regelmatig werkzaamheden via een uitzendbureau heeft verricht in andere functies dan lasser. Het college heeft dan ook in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de door appellant gewenste aanvullende opleiding niet de kortste weg is naar het vinden van passende arbeid. Dat deze werkzaamheden er tot nu toe niet toe hebben geleid dat appellant duurzaam in het geheel niet op bijstand is aangewezen, doet hieraan, juist gelet op het aanvullend karakter van de bijstand, niet af.

4.4.

Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.3 is overwogen heeft het college de aanvraag om de aanvullende lasopleiding terecht afgewezen op de grond dat dit naar zijn oordeel geen noodzakelijke voorziening gericht op arbeidsinschakeling is. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.W.H.I. Korte, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2016.

(getekend) O.L.W.H.I. Korte

(getekend) M.S. Spek

HD