Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4524

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
16/484 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering geldlening. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/484 BBZ

Datum uitspraak: 22 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 januari 2016, 15/2071 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2016. Appellant is, met

bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.B.H. Fijneman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant had een autobandenbedrijf onder de naam [naam bedrijf].

1.2.

Bij besluit van 17 mei 2013 heeft het college aan appellant als beëindigd zelfstandige op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) over de periode van

1 februari 2013 tot en met 1 augustus 2013 algemene bijstand toegekend. Deze bijstand is verstrekt naar de norm voor gehuwden in de vorm van een renteloze geldlening in afwachting van de definitieve vaststelling van de bijstand om niet na afloop van het boekjaar. Aan de bijstandsverlening is de verplichting verbonden dat appellant zijn bedrijfsactiviteiten zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 1 augustus 2013, beëindigt. Bij besluit van

26 september 2013 heeft het college bij wijze van verlenging appellant onder dezelfde voorwaarden bijstand toegekend van 2 augustus 2013 tot en met uiterlijk 31 december 2013.

1.3.

Bij besluit van 12 september 2014, zoals gewijzigd bij besluit van 25 november 2014, heeft het college € 6.241,75 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de hand van de ingediende jaarstukken het recht op bijstand om niet over de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 december 2013 definitief vastgesteld op een bedrag van € 8.309,23. Dit bedrag is in mindering gebracht op de renteloze geldlening van € 14.550,98, zodat € 6.241,75 resteert, welk bedrag van appellant wordt teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 13 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is uitsluitend de vraag of het vertrouwensbeginsel aan terugvordering van het bedrag van € 6.241,75 in de weg staat.

4.2.

Appellant heeft betoogd dat hij erop mocht vertrouwen dat de bijstand niet zou worden teruggevorderd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat uit een e-mailbericht van 29 juli 2013 (bericht) van [B.] ([B.]), consulent zelfstandigen bij het Regionaal Bureau Zelfstandigen, expliciet blijkt dat de leenbijstand niet teruggevorderd zou worden in het geval appellant zijn bedrijf zou beëindigen.

4.3.

Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan of de daartoe bevoegde functionaris uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.4.

Het bericht geldt niet als een dergelijke toezegging. In dat bericht heeft [B.] appellant meegedeeld dat appellant verlenging van de Bbz-uitkering kan aanvragen voor een periode van drie maanden, dat het bedrijf daarna moet zijn beëindigd en dat de uitkering alleen bedoeld is om het bedrijf te beëindigen. Als appellant zijn bedrijf wil voortzetten, moet hij de uitkering terugbetalen. Anders dan appellant meent, staat hierin niet meer dan dat appellant de bijstand moet terugbetalen als hij zijn bedrijf voortzet. Dit betekent echter niet dat wanneer appellant zijn bedrijf niet voortzet en beëindigt, hij de leenbijstand, ongeacht de genoten inkomsten, in het geheel niet hoeft terug te betalen. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de toekenningsbesluiten van 17 mei 2013 en 29 september 2013. In die besluiten wordt uitdrukkelijk vermeld dat de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt en dat de hoogte van de bijstand om niet definitief wordt vastgesteld zodra het inkomen van appellant bekend is over het boekjaar waarin de bijstand is verstrekt.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2016.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) C. Moustaïne

HD