Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:4522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
15/8051 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar LFNP-functie. Niet in geschil dat de matching is geschied in overeenstemming met de Regeling overgang naar een LFNP functie en de daarbij behorende transponeringstabel. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de matching in zijn situatie heeft geleid tot een onbillijkheid van overwegende aard of dat sprake is van een bijzondere situatie in de zin van artikel 5 van de Regeling. Geen sprake van gelijke gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8051 AW

Datum uitspraak: 17 november 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

27 oktober 2015, 14/4693 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.E. Bensoussan en R.M.M. Paulssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Appellant is sinds 1 december 2006 gedetacheerd bij het Korps Landelijke Politiediensten en uitgezonden naar het [naam team]. Voordien was hij geplaatst in de functie van [functie 1], schaal 12, bij het korps [regio]. De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is bij besluit van 1 februari 2012 vanaf 31 maart 2011 vastgesteld op de functie van Plaatsvervangend [functie 4], de functie die hij voorafgaand aan de detachering vervulde. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van de LFNP-functie van [functie 2], gewaardeerd in schaal 12 over de periode van 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 en bepaald dat appellant met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie [functie 2], gewaardeerd in schaal 12. Het bezwaar van appellant daartegen is bij besluit van 12 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft betoogd dat hij, evenals zijn collega M die hem in 2006 heeft opgevolgd, moet worden geplaatst in de LFNP-functie [functie 3], schaal 13. M is bij besluit van 25 februari 2013 met terugwerkende kracht tot 31 december 2009 geplaatst in de functie Hoofd Decentrale Opsporing, plaatsvervangend [functie 4], schaal 13, zonder dat hij om functieonderhoud had gevraagd. De werkzaamheden behorend bij de functie van Plaatsvervangend [functie 4] zijn sinds appellant eind 2006 is gedetacheerd niet gewijzigd en zodoende had hij, evenals M, ook moeten worden gematcht met de LFNP-functie [functie 3]. Appellant doet daarom een beroep op de hardheidsclausule en acht het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

3.2.

De korpschef heeft toegelicht dat het korps [regio] een samenwerking had met het korps [regio 2]. De uitgangspositie van de plaatsvervangend [functie 4] van [regio 2] is na een verzoek om functieonderhoud vastgesteld op Hoofd Decentrale Opsporing, plaatsvervangend [functie 4], schaal 13. M verrichtte dezelfde functie bij het korps [regio]. Dat bracht de korpschef ertoe om M bij besluit van 25 februari 2013, met toepassing van organisatieonderhoud, met ingang van 31 december 2009 te plaatsen in dezelfde uitgangspositie van Hoofd Decentrale Opsporing, plaatsvervangend [functie 4] en te bepalen dat zijn functie overging naar de LFNP-functie van [functie 3],

schaal 13. Appellant daarentegen heeft de functie van Plaatsvervangend [functie 4] vanaf eind 2006, als gevolg van de detachering, niet meer vervuld en alleen de persoon die de werkzaamheden feitelijk verricht kan functieonderhoud vragen, zo heeft de korpschef toegelicht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de matching van de functie Plaatsvervangend [functie 4] met de functie [functie 2] is geschied in overeenstemming met de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) en de daarbij behorende transponeringstabel.

4.2.

De in artikel 5, vierde lid, van de Regeling neergelegde hardheidsclausule ziet naar aard en bewoordingen op onbillijkheden van overwegende aard in individuele gevallen en op bijzondere situaties die de regelgever bij het tot stand brengen van de Regeling niet heeft voorzien. De Raad verwijst naar zijn uitspraken genoemd in 1.1.

4.3.

Het betoog van appellant dat zijn beroep op de hardheidsclausule ten onrechte is verworpen, slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de hardheidsclausule niet is bedoeld om (alsnog) rekening te houden met werkzaamheden waarvoor functieonderhoud gevraagd had kunnen worden of met extra werkzaamheden, specifieke werkzaamheden, bijzondere situaties en afspraken die in de uitgangspositie hadden kunnen zijn vastgelegd. Dit volgt ook uit de toelichting op artikel 5, vierde lid, van de Regeling, waarin het grote belang is benadrukt van een juiste vaststelling van de uitgangspositie.

4.4.

De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de matching in zijn situatie heeft geleid tot een onbillijkheid van overwegende aard of dat sprake is van een bijzondere situatie in de zin van artikel 5 van de Regeling. De omstandigheid dat de korpschef ten aanzien van M, de opvolger van appellant, organisatieonderhoud heeft gepleegd en de uitgangspositie van M, zonder dat hij om functieonderhoud had gevraagd, heeft gewijzigd, heeft de korpschef in redelijkheid niet als zodanig aangemerkt. Daarbij is van belang dat appellant zich na kennisname van het organisatieonderhoud dat is gepleegd ten aanzien van de functie van M bij besluit van

25 februari 2013, tot de korpschef heeft gewend met het verzoek om ook zijn uitgangspositie te wijzigen. De korpschef heeft in redelijkheid geen rekening gehouden met de werkzaamheden die buiten de uitdrukkelijk door de regelgever in de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie aangewezen referteperiode van 31 december 2009 tot en met

31 maart 2011 vallen.

4.5.

De Raad volgt appellant ook niet in zijn betoog dat sprake is van gelijke gevallen. Dit argument betreft in de kern de uitgangspositie, en zoals hiervoor is overwogen, kan die hier niet meer aan de orde worden gesteld. Voor zover het beroep op het gelijkheidsbeginsel is gericht tegen de overgang per 1 januari 2012, is geen sprake van gelijke gevallen omdat appellant gedetacheerd was en hij de functie van Plaatsvervangend [functie 4], alhoewel dat zijn uitgangspositie was, in de referteperiode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 niet feitelijk vervulde.

4.6.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD